Maria Magdalena

Onderstaande is het 16de hoofdstuk uit mijn 'Een leerschool van de liefde.'

 

16. DAARNA

 

    We zouden het hierbij kunnen laten, want het evangelie kan ons nu niet meer veel verder brengen. Maar de impuls die in het evangelie wordt beschreven begon na de verrijzenis pas goed door te dringen en het lijkt mij zeer zinvol te volgen hoe het met deze impuls verder is gegaan, tot in onze tijd toe.

    In de komende twee hoofdstukken wil ik dat proberen.

 

Jezus

 

    Het laatste hoofdstuk van het Johannesevangelie suggereert datde Gezalfde nog terug zal keren. Van Lazarus-Johannes wordt hier namelijk vermeld dat die zal blijven totdat de Gezalfde terugkeert (21; 22). Wat dat dan ook betekent. Afgezien van deze verwachte terugkeer lijkt de nieuwe staat van Jezus als de Gezalfde een stabiele te zijn. Hij is aanwezig in de omhulling van de aarde en werkt als zodanig op de aarde in. Wel heeft hij met enige tegenstand te maken, bijvoorbeeld van de kant van de Kerk, die hem zijn vrouwelijke partner probeert te ontzeggen en die zichzelf graag als buffer opwerpt tussen hem en de wereld.

 

Maria Magdalena

 

    Moeilijker is het een beeld te vormen van wat er verder met Maria Magdalena gebeurde, die na de verrijzenis en de hemelvaart op aarde achterbleef. We zijn daarvoor grotendeels aangewezen op legenden en overleveringen en die spreken elkaar nogal eens tegen. Die van het oosterse Christendom laten bijvoorbeeld een heel andere tendens zien dan die van het westerse.

    Volgens overleveringen uit het oosten ging Maria Magdalena met haar broer Lazarus en met de moeder van Jezus mee naar Ephese, aan de kust van Klein-Azië. Daar stond de beroemde tempel die aan Artemis was gewijd, de maagdelijke Griekse godin van de maan en de jacht. Na Maria Magdalena’s dood zouden haar lichamelijke resten naar een klooster in Constantinopel zijn overgebracht en daarna naar Italië of de tempelberg in Jerusalem. Op geen van deze plaatsen is nog een graf aantoonbaar.

    De westerse traditie houdt het erop dat ze kort na de hemelvaart Palestina is ontvlucht naar Alexandrië, vergezeld door met haar verbonden gelovigen en familieleden, zoals haar zus Martha. Volgens sommige berichten zou daar ook een meisje bij zijn geweest dat Sarah heette, of Tamar, of Tamar-Sarah. Er zijn speculaties dat zij de dochter van Maria Magdalena en Jezus was. In Alexandrië zou het gezelschap een boot hebben genomen, waarmee het aankwam in Zuid-Frankrijk. Sommige berichten spreken van Marseille als landingsplaats. Vervolgens zou ze nog zo’n dertig jaar in Zuid-Frankrijk hebben geleefd.

    Het verhaal dat ze, alleen bedekt door haar haren en boetend voor haar zonden,  dertig jaar lang als kluizenares zou hebben doorgebracht in een grot in la Sainte Baume, vijftien kilometer ten noordoosten van Marseille, stamt van de Dominicanen, een priesterorde die gespecialiseerd was in inquisitie en kettervervolging. Dat laatste lijkt mij voldoende reden om dit verhaal ter discussie te stellen, want aangezien de verering van Maria Magdalena door de Kerk gemakkelijk met ketterij in verband werd gebracht lijken mij de Dominicanen nou niet de meest betrouwbare berichtgevers in deze. Dat Maria in de buurt van Marseille, Aix en Provence en La Sainte Baume vertoefd heeft is op grond van de overleveringen waarschijnlijk, maar er zijn ook bronnen die haar met andere gebieden in verband brengen. Bijvoorbeeld met le Pilat, even ten zuidwesten van Lyon, of met het gebied ten zuidwesten van Bézier.

    Haar graf werd onder andere geclaimd door Aix en Provence en La Sainte Baume, waarbij de kerkelijke autoriteiten naar La Sainte Baume neigden. Toen het aan haar toegeschreven graf aldaar in de elfde eeuw werd geopend bleek het echter leeg. Waarop het verhaal de ronde deed dat het lichaam, om het tegen aanvallen van de Moren te beschermen, was overgebracht naar een klooster in Vézelay, in de Bourgogne. 

    Een nieuwe basiliek en een stroom pelgrims naar Vézelay was het gevolg en de plaats groeide uit tot een soort bolwerk van Maria Magdalena. Vanuit deze basiliek werd de Tweede Kruistocht gepreekt door Bernardus van Clairvaux, de kloostervernieuwer en stichter van talloze Cisterciënzerkloosters, de man ook die de orderegels opstelde voor de Tempeliers. Bernard van Clairvaux had een intense verering voor Maria Magdalena. Maar in 1254, toen er twijfels rezen over de vraag of het hier echt om haar beenderen ging, kon Vézelay geen overtuigende argumenten aanvoeren en werd in Zuid-Frankrijk een ander graf geopend, waarin haar beenderen dan wel zouden liggen. De stroom van pelgrims naar Vézelay stagneerde.

    Nadat dit graf was geopend werd het weer gesloten. Negen dagen later werd het opnieuw geopend, waarbij er, - merkwaardig detail - volgens ooggetuigen behalve beenderen ook een kurk werd aangetroffen. De als van Maria Magdalena beschouwde beenderen werden nu op plechtige wijze overgebracht naar la Sainte Baume, waar ze onder de hoede werden gesteld van de Dominicanen, die daarvoor de oorspronkelijke bewaarders van de hier gelegen kapel, de vrome Cassianieten, moesten verdrijven. Haar zogenaamde schedel werd, omlijst door goud en kostbare edelstenen, ten toon gesteld en is nog steeds op deze wijze zichtbaar. Het duurde echter nog vijf jaar eer de paus officieel bevestigde dat de beenderen in la Sante Baume werkelijk haar beenderen waren.

    Al met al bestaat er zo veel onduidelijkheid ten aanzien van haar beenderen dat je je kunt afvragen of er eigenlijk wel ooit beenderen van haar zijn gevonden. En of er eigenlijk wel beenderen zijn achtergebleven. Met andere woorden: of Maria Magdalena niet is overgegaan naar de andere wereld op een manier die met die van Jezus vergelijkbaar is. 

 

Maria Magdalena door de eeuwen heen

 

    De waardering voor Maria Magdalena is gedurende de eerste eeuwen van het christendom waarschijnlijk intens geweest. We kunnen dat onder andere afleiden uit geschriften van de vroege kerkvaders. Tertullianus, uit de tweede/derde eeuw, noemde haar een apostel en datzelfde deed zijn tijdgenoot Hippolytus. De in de derde eeuw opererende Origenes noemde haar niet alleen ‘lerares’ maar ook ‘bruid van Christus’. Wat hierbij aansluit is dat vooral in de eerste eeuw vrouwen nog een even grote rol binnen het christendom speelden als mannen.

    De intensiteit van die verering valt ook af te leiden uit de groeiende weerstand van de naar een staatsgodsdienst uitgroeiende Kerk tegen haar verering, die er in 591 toe leidde dat de toenmalige paus, Gregorius de Grote, in een breed opgezette preek haar met de zeven hoofdzonden in verband bracht, waarbij hij suggereerde dat ze een hoer was geweest. Deze uitspraak berustte op een bepaalde interpretatie van een fragment uit het Lukasevangelie. Gregorius had de klok horen luiden maar wist niet waar de klepel hing. Zeker, Maria Magdalena had iets met eros te maken, maar niet op de manier waarop zijn ‘dirty mind’ het hem ingaf.

    Het aldus neergezette beeld werkte door in de eeuwen daarna, al werd het wat afgezwakt toen Maria Magdalena in de negende eeuw heilig werd verklaard. Haar heiligheid berustte er volgens de Kerk echter niet op dat ze de bruid van Christus zou zijn geweest, of de eerste getuige van de verrijzenis, maar berustte op haar ‘boetvaardigheid’. Ze was dan weliswaar een hoer geweest, aldus de Kerk, maar had hier veel boete voor gedaan.

    Eveneens in de negende eeuw werd er een uit zes boekdelen bestaande levensloop van haar geschreven door Rabanus Maurus, aartsbisschop van Mainz en abt in Fulda, die begon met ‘Het contemplatieve leven van de gezegende Maria Magdalena, met diepe eerbied de zoetste uitverkorene van Christus genoemd en door Christus liefgehad.’ In dit boek komt overigens ook de landing in Zuid-Frankrijk voor. Rabanus Maurus was een van de meest vooraanstaande schrijvers in die tijd en veel van zijn werken zijn behouden gebleven, waarvan een aantal nog steeds in druk verkrijgbaar is. Van deze levensloop zijn echter nog slechts losse fragmenten bekend, via berichten van anderen. Het boek zelf is op een nooit opgehelderde wijze verdwenen.

    In de twaalfde eeuw was er een opleving in haar verering, die zich centreerde rond de al genoemde Bernardus van Clairvaux. Bernardus had een mystieke inslag maar was praktisch genoeg om tijdens zijn leven tientallen nieuwe kloosters te laten bouwen. Hij liet de Tempeliers trouw zweren aan ‘het huis van Bethanië’, dus aan Lazarus, Maria Magdalena en Martha. Het aanzien van Bernardus binnen de Kerk was enorm. Verder was dit de tijd van de kruistochten, die veel nieuwe impulsen brachten binnen het westen, waaronder de al eerder aangehaalde troubadourscultuur en de gotische bouwkunst. Deze laatste onderscheidde zich van alle voorgaande bouwstijlen door de lichtheid van de gebouwen, door de manier waarop zij de zwaartekracht leken te trotseren, hetgeen naar mijn idee een uiting was van ‘de verheffing van de Mensenzoon’ binnen de bouwkunst. Ook de religie van de Katharen (de ‘Reinen’) kwam in deze eeuw tot bloei, vooral in Zuid-Frankrijk. Het was een gnostische christelijke religie die zich kenmerkte door een grote eenvoud en een gelijke waardering voor mannen en vrouwen.

    Was de twaalfde eeuw de eeuw van Bernardus van Clairvaux, de dertiende eeuw was de eeuw van de Dominicanen en hun geestverwanten. De Dominicaner orde, in 1216 gesticht, had als doel het evangelie te verkondigen en de ketterij te bestrijden. Dat laatste gebeurde efficiënt. Honderd jaar na deze stichtingsdatum waren alle stromingen die sympathie toonden voor Maria Magdalena uitgeroeid.

    Wat de Katharen betreft gebeurde dat in de meest bloedige kruistocht die de Kerk heeft gekend en die de Albigensische kruistocht werd genoemd, een kruistocht van christenen tegen christenen, ingezet op 22 juli 1209, de feestdag van Maria Magdalena. Onder het devies ‘Doodt hen allen, God zal de zijne herkennen’ werd Bézier en het hele gebied ten zuidwesten ervan min of meer met de grond gelijk gemaakt. In 1256 was de klus geklaard.

    Wat de Tempeliers betreft gebeurde het op die beruchte vrijdag de dertiende van het jaar 1307. Na een sluwe voorbereidingsperiode werd in één dag de hele beweging in Frankrijk opgerold.

    Ondertussen was, onder de hoede van de Dominicanen, de inquisitie ingesteld, die eeuwenlang talloze onconventionele geesten als ketters zou brandmerken, veroordelen en doden.

    Het waren deze Dominicanen die in 1275 via de ‘Legenda Aurea’ het verhaal van Maria Magdalena als boetende zondares vastlegden. En die vervolgens in 1295 Maria Magdalena tot hun beschermheilige maakten en de kapel van la Sainte Baume van de Cassianieten overnamen. Daarmee was Maria Magdalena wat de Kerk betreft ingepakt, vastgelegd en onschadelijk gemaakt.

    Ze moest ondergronds en het duurde lang eer hier verandering in kwam. 

 

    Wat zeker bijgedragen heeft aan een herziening van haar rol zijn de gnostische geschriften die aan het licht kwamen. Ze waren in de eerste eeuwen van onze jaartelling ontstaan maar moesten verborgen worden toen in de vierde eeuw de Kerk officieel werd erkend en aan macht won, want de gnosis werd als een ketterij beschouwd. In 1795 dook in het British Museum de ‘Pistis Sophia’ op, een boek met een hoog mystiek gehalte waarin gesprekken staan beschreven die de verrezen Jezus voerde met zijn leerlingen, zijn moeder, Maria Magdalena en Martha. In 1896 kwam in Caïro het ‘Evangelie van Maria Magdalena’ aan het licht, dat geheime leringen bevat die Maria Magdalena van Jezus ontving. Het werd echter pas in 1955 gepubliceerd. In 1945 werd een groot aantal gnostische geschriften gevonden bij Nag Hamadi in Egypte. Vervolgens kwam in 1947 in Qumran, dicht bij de Dode Zee, een flink aantal geschriften van de Esseense gemeenschap die daar had bestaan uit het woestijnzand tevoorschijn. Volgens verschillende bronnen heeft Jezus veel contact gehad met de Essenen. Het was alsof het zo moest zijn, alsof het aan de tijd was dat deze gegevens in het beeld van Jezus en Maria Magdalena zouden worden opgenomen.

    Maria Magdalena komt uit deze geschriften naar voren als de ‘metgezellin’ van  Jezus, als een vrouw waar Jezus veel liefde voor had, die hij kuste, die zijn leer beter begreep dan de apostelen, die de ‘apostel van de apostelen’ was en die gezien werd als de vertegenwoordigster van de Sofia. Haar grootste tegenstander was in deze geschriften de apostel Petrus, door de kerk als de oerpaus gezien.

    De Kerk reageerde in 1969 met de verklaring dat Maria geen zondares en geen hoer was geweest, waarmee een voorzichtige erkenning leek ingezet.

    In 1982 vond vervolgens een opzienbarende boekpublicatie plaats, ‘The holy blood and the holy grail’, waarin werd gesteld dat Jezus en Maria Magdalena getrouwd waren geweest en kinderen hadden, die, door zich in Zuid-Frankrijk met plaatselijke edelen te vermengen, de grondslag legden voor de dynastie van de Merovingen, de langharige en geïnspireerde koningen die regeerden over het Frankische rijk vanaf de vijfde eeuw totdat in 751 de Carolingers de macht overnamen. Veel literatuur waarin de bloedlijn op de voorgrond stond kwam hieruit voort, waarbij de spirituele aspecten wat op de achtergrond raakten.

    Aan de andere kant waren, en zijn er nog steeds, de ‘gechannelde’ boodschappen, die vaak meer aandacht schenken aan de spirituele kant.

    In 2016 ging de Kerk nog een stapje verder dan ze in 1969 al deed. Toen werd, onder invloed van paus Franciscus, uitgesproken dat Maria Magdalena een apostel van Jezus was geweest. Binnen de visie van de Kerk was dit werkelijk een doorbraak, die ruimte maakte voor een nieuwe theologie en voor een grotere rol van de vrouw in de Kerk.

    Al met al is er wereldwijd een enorme belangstelling voor Maria Magdalena ontstaan en daarmee voor het vrouwelijke aspect van God.

    Dat is op dit moment de stand van zaken.

 

Mijn visie

 

    De literatuur over de bloedlijn vind ik interessant in zo verre dat ze een heel nieuwe blikrichting biedt. Dat heeft iets verfrissends. Aan de andere kant vind ik haar eenzijdig op de fysieke aspecten gericht en mis ik een toekomstperspectief. Moeten wij een nieuwe, uit deze bloedlijn voortgekomen koning verwachten? Ik denk niet dat de oplossing van de wereldvraagstukken nu uit deze richting moet komen. Eigenlijk heb ik eerder het idee dat Jezus en Maria Magdalena met hun nadruk op het Ik een einde maakten aan het belang van de bloedlijn. Wat ik mij wel kan voorstellen is dat hun bloed, mochten zij kinderen hebben gehad, in een ‘homeopathische’ verdunning onder de wereldbevolking verder leeft.

    Ook de gechannelde boodschappen bieden vaak frisse invalshoeken, al heb ik hier regelmatig het gevoel dat persoonlijke preoccupaties door de verkregen boodschappen heen spelen, terwijl de onderbouwing nogal eens te wensen over laat. Het lijkt erop dat in onze tijd iedereen zijn eigen Maria Magdalena heeft. Dat brengt natuurlijk veel levendigheid met zich mee, maar ook veel subjectiviteit. Maria Magdalena kan zo gemakkelijk een aanleiding voor allerlei projecties worden.

    De visie van de Kerk, die lange tijd gebaseerd is geweest op Maria Magdalena als de boetvaardige hoer, was een armoedige. De Kerk zag haar als een bedreiging en als de poort naar de ketterij. In 1969 werd door de verklaring dat ze geen hoer was geweest de aanzet gegeven tot een voorzichtig eerherstel, maar dit kreeg nog nauwelijks consequenties. De rol van de vrouw binnen de katholieke Kerk bleef bijvoorbeeld een marginale. Pas in 2016 werd zij min of meer voor vol aangezien. Tot wat voor concrete gevolgen dit mogelijk kan leiden moet echter nog blijken.  

    De tendens die de Kerk aangaf bracht mij vaak op het spoor van het tegendeel. Erkende die Kerk beenderen als relikwieën van Maria Magdalena, dan was er voor mij gegronde reden tot twijfel. Vond de Kerk het nodig de Katharen uit te roeien, dan concludeerde ik daaruit al bijna dat de Katharen een essentiële christelijke waarde vertegenwoordigden. Moest vooral het gebied ten zuidwesten van Bézier het ontgelden tijdens de Albigensische kruistocht, dan was dit voor mij een aanwijzing dat Maria Magdalena enige tijd in dit gebied heeft vertoefd gedurende die eerste eeuw van onze jaartelling. Als je de jager volgt vind je gemakkelijk het wild.

    Maar ook de gnostische geschriften, hoe indrukwekkend ze ook zijn en hoe zeer ze ook ons beeld van Jezus en Maria Magdalena hebben verrijkt en verdiept, bieden voor mij niet voldoende perspectief. Want weliswaar komt in deze geschriften het spirituele aspect ruimschoots aan bod, de integratie van het fysieke aspect blijft nogal eens achterwege. Wat mij betreft geldt dat voor de gnosis als geheel. De verrijzenis bijvoorbeeld, voor mij de apotheose van het evangelie, wordt binnen de gnosis hooguit als een symbolische gebeurtenis gezien, terwijl naar mijn idee juist het fysieke aspect de sleutel is.

    Is de bloedlijnliteratuur eenzijdig op het fysieke aspect gericht, de gnosis richt zich eenzijdig op het spirituele. Mijn eigen visie houdt, naar ik hoop, tussen die twee eenzijdigheden het midden.

 

Zuid-Frankrijk

 

    Dat Maria Magdalena in Zuid-Frankrijk heeft geleefd lijkt mij overigens op grond van de vele legenden en overleveringen dienaangaande waarschijnlijk. Ook de grote hoeveelheid beelden en afbeeldingen van Maria Magdalena die nog steeds in deze streek te vinden zijn en de vele aan haar gewijde kerken wijzen in deze richting.

    De streek ten noorden van Marseille, met Aix en Provence, Arles, Avignon en La Sainte Baume, komt zeker in aanmerking, gezien het feit dat veel van de bovengenoemde gegevens hier in haar richting wijzen. Maar ook in het gebied ten zuidwesten van Bézier zou ze vertoefd kunnen hebben. Hier zijn eveneens veel sporen van haar verering te vinden. Bovendien is het bekend dat in Narbonne, dicht bij Bézier, veel Joodse families hebben geleefd in de eerste eeuw.

    Wat verder pleit voor dit gebied is de ontwikkeling die zich er in latere eeuwen heeft afgespeeld en die goed bij Maria Magdalena aansloot. In de elfde en twaalfde eeuw vond hier een wederzijdse bevruchting plaats van verschillende culturen, met name de christelijke, de Joodse en de Moorse. Het leidde tot een ongekende bloei van kunsten en wetenschappen en tot een indrukwekkende welvaart. Mannen en vrouwen werden hier als min of meer gelijkwaardig gezien. En de invloed van de Kerk was hier beperkt. Op deze voedingsbodem konden de troubadours en even later de Katharen zeer goed gedijen.

    Tegen precies dit gebied was de Albigensische kruistocht gericht, die niet alleen het katharendom grotendeels uitroeide maar die ook in andere opzichten de cultuur hier vernietigde. Volgens de redenering die ik boven aangaf is dit voor mij een duidelijke aanwijzing dat Maria Magdalena hier werkzaam is geweest.