Leven van boven af

   

  

  

 In dit artikel wil ik aangeven hoe hoogsensitiviteit van een psychische complicatie tot een spirituele opgave kan worden.

 

Incarnatie

 

    Al eerder heb ik geschreven dat ik de mens zie als een ziel die in een lichaam woont. Door zijn lichaam is de mens met de aarde verbonden, door zijn ziel met de zielenwereld.

    Wat een lichaam is, daar zijn de meeste mensen het wel over eens. Met de ziel ligt dat iets anders. Mijn benadering is dat de ziel zich manifesteert als aandacht. Waar je aandacht is, daar is je ziel. Is je aandacht bij de deurknop waar je naar toe loopt, dan is je ziel bij die deurknop. Is je aandacht bij een vriend in een andere stad, dan is je ziel in die andere stad. Is je aandacht bij je lichaam, dan is je ziel in je lichaam.

    De verbinding tussen de ziel en het lichaam noem ik de incarnatie.

 

Levensfasen van een mens

 

    De incarnatiewijze is niet in iedere levensfase hetzelfde. De baby bijvoorbeeld is nog heel weinig geïncarneerd en zijn aandacht is nog heel weinig bij zijn prille lichaampje. Hij slaapt veel, is zich nog weinig bewust van zichzelf en heeft nog weinig lichaamsbeheersing. In de loop van de jaren wordt die incarnatie dieper en bij een mens tussen de 20 en de 30 jaar is ze het diepst. Op die leeftijd functioneert het lichaam in principe als een optimaal instrument van de ziel. Kracht, vitaliteit, lichaamsbeheersing en vruchtbaarheid zijn dan in het algemeen optimaal. Na het dertigste jaar nemen die elementen langzamerhand af. Een topvoetballer van ouder dan 33 is bijvoorbeeld al een uitzondering.

    De ziel maakt zich nu steeds wat verder los en het lichaam wordt steeds meer aan zichzelf overgelaten. Wat zich onder andere manifesteert in een verminderde  vitaliteit en een afgenomen lichaamsbeheersing. Bij de dood gaan ziel en lichaam dan helemaal uit elkaar.

    Maar in de tweede levenshelft kan de ziel het lichaam wel op een nieuwe manier doordringen, nu niet meer zo zeer natuurlijk als wel bewust. Sommige wat oudere voetballers bijvoorbeeld kunnen hun afgenomen vitaliteit grotendeels compenseren door een toegenomen spelinzicht en een gerijpte techniek. 

 

Situaties in het dagelijks leven

 

    De wijze van incarnatie hangt ook samen met de situatie waarin iemand zich bevindt. Neemt iemand bijvoorbeeld op een zonnige dag een duik in een helder meer en zwemt hij een paar slagen, dan biedt deze situatie hem alle mogelijkheden om goed geïncarneerd te zijn. Werkt hij echter aan een computer, dan is incarnatie een stuk moelijker. In het algemeen wordt incarnatie bevorderd door ontspanning, bewegen, genieten, tastervaring en warmte. En is incarneren een stuk moeilijker wanneer iemand onder stress staat, belemmerd wordt, nadenkt, angstig is, of kou lijdt.

 

Aanleg

 

    Kijk je vervolgens naar de aanleg van mensen, dan kun je ook hier het incarnatiethema terugvinden. De manier waarop bij iemand, in aanleg, lichaam en ziel samenwerken kan immers sterk uiteenlopen. De meeste mensen zijn qua aanleg normaal geïncarneerd, maar er zijn er ook niet weinig die licht geïncarneerd kunnen worden genoemd. Die laatste groep lijkt trouwens te groeien. Daarnaast kun je nog de zwaar geïncarneerde aanleg onderscheiden. 

    Bij de normaal geïncarneerden kan de ziel zich goed uiten via het lichamelijke. Bij de licht geïncarneerden krijgt de ziel, doordat ze wat losser zit, meer ruimte en daardoor staat het zielsmatige hier sterker op de voorgrond dan het lichamelijke. Bij de zwaar geïncarneerden tenslotte zit de ziel als het ware in het lichaam gevangen, wat zwaarte, traagheid, een doffe zintuiglijkheid en een dof denken met zich mee kan brengen. Die laatste groep laat ik voorlopig even buiten beschouwing, omdat ik de focus nu op de normale en de lichte incarnatie wil leggen.

    Voor normaal geïncarneerden is het lichamelijke iets vanzelfsprekends. Zonder dat ze zich nu zo speciaal bewust van hun lichaam zijn is het gewoon hun basis, waar ze steeds een beroep op kunnen doen. Functionele handelingen staan hierbij op de voorgrond. 

    Voor licht geïncarneerden is het lichamelijke een stuk minder vanzelfsprekend. Dat de ziel bij hen wat losser met het lichaam verbonden is wil het contact met de fysieke werkelijkheid nogal eens bemoeilijken. Een losse ziel kan bijvoorbeeld een diep gevoelsleven met zich mee brengen, maar deze gevoelens gaan nogal eens met de betreffende persoon op de loop, hetgeen zijn contact met de concrete werkelijkheid kan compliceren. Vaak gaat het hier om beweeglijke mensen, die aan de ene kant het positieve van de beweeglijkheid laten zien (levendigheid, flexibiliteit) en aan de andere kant het negatieve (vaagheid, ongrijpbaarheid). Verder hebben ze een sterke sensitiviteit en zijn ze zo gevoelig voor wat in hun omgeving speelt dat ze hier gemakkelijk door overweldigd raken. De lichaamsbeleving is vaag, waardoor ze soms pijn, kou, warmte, honger of dorst niet goed voelen. Vaak hebben ze ook iets onhandigs.

    Ik noem hen hoogsensitief, omdat een sterke sensitiviteit een van hun belangrijkste kenmerken is.  

   

Secundaire incarnatie

 

    Hoogsensitieve mensen incarneren niet van nature. Ze incarneren eigenlijk pas als zij daar een motief toe hebben. Het lijkt een wetmatigheid: motivatie is bij deze mensen de sleutel tot hun incarnatie. Hun incarnatie vraagt een zeker bewustzijn. Ik druk dit ook wel eens zo uit: ze zijn niet primair geïncarneerd, hun incarnatie is een secundaire. Een paar voorbeelden kunnen misschien duidelijker maken wat ik onder secundaire incarnatie versta.

    Eén voorbeeld heb ik al genoemd. Het betrof de al wat oudere voetballer die zijn afgenomen vitaliteit compenseert door een verdiept spelinzicht en een gerijpte techniek.

    Een ander voorbeeld is het volgende. Iemand luistert naar muziek. Opgaand in de muziek maakt zijn ziel zich een beetje los van zijn lichamelijkheid. Maar dan, door de muziek gedreven, daalt de ziel als het ware weer in het lichaam af en neemt het lichaam mee. Wat deze persoon tot dansen brengt. Dansen kan zo een vorm van secundaire incarnatie zijn.

    Een derde voorbeeld betreft een jongen van acht die op school een stevige weerstand tegen rekenen liet zien. Waar zijn klasgenootjes zich gewoon plooiden naar de hun gestelde eisen probeerde hij zich op allerlei manieren aan het rekenonderwijs te onttrekken. Toen hem gevraagd werd waarom gaf hij aan dat hij het nut niet inzag van al die cijfertjes. En als hij het nut van iets niet inzag deed hij het gewoon niet. Op een gegeven moment kwam het gesprek in de klas op zakgeld, waarbij bleek dat deze jongen zeer op geld gesteld was, want er waren allerlei dingen die hij wilde kopen voor zijn hobby. De juf speelde hierop in door te zeggen dat rekenen toch wel erg handig was om te kunnen bepalen hoe veel geld je nog nodig had voor een van die hobbydingen. De jongen luisterde geïnteresseerd. Resultaat was dat hij nu wel bereid was in te stappen in de rekenles en zelfs plezier in rekenen kreeg.

    De andere kinderen hadden geen motief nodig om tot rekenen te komen, hij kon het alleen met een motief.

    Nog een voorbeeld. Veel hoogsensitieve mensen kunnen pas iets met hun leven als ze een antwoord hebben op filosofische vragen omtrent de zin ervan (vooral als ze ook nog eens hoogbegaafd zijn). Ze gaan vervolgens consequent te werk vanuit die levensfilosofie. Ze incarneren dus niet primair maar vanuit een filosofische motivatie en vanuit een filosofisch beeld.

    Een voorbeeld op het gebied van de motoriek is dat van een meisje dat in het algemeen onhandig was en zich stijf bewoog maar dat gek op skieën was. Eenmaal op de lange latten liet ze opeens een ongewoon soepele techniek zien, puur op basis van motivatie.

 

Motoriek

 

    Aanknopend bij de motoriek zal ik wat meer in details treden om het verschil tussen primair en secundair geïncarneerd-zijn uit te werken. Ter wille van de duidelijkheid zal ik dit doen op basis van karakteriseringen. In werkelijkheid liggen de verschillen vaak wat subtieler. 

    Als een normaal geïncarneerd mens gaat timmeren, probeert hij uit hoe het moet. Al doende leert hij. Heeft hij het timmeren eenmaal onder de knie, dan gaat het automatisch. Zijn lichaam gebruikt hij hierbij functioneel, waarmee ik bedoel: al timmerend is hij zich niet zozeer bewust van zijn lichaam maar van de hamer, de spijker en het hout. Hij gebruikt zijn lichaam als een vanzelfsprekend instrument.

    Een licht geïncarneerd mens gaat alleen timmeren als hij daartoe gemotiveerd is. Daarbij zal hij vaak in eerste instantie onhandiger zijn dan de normaal geïncarneerde, gewoon omdat hij minder met zijn lichaam verbonden is. Vervolgens heeft hij allerlei beelden over hoe het moet en op grond van die beelden gaat hij te werk. Kan hij die beelden niet meteen realiseren, dan raakt hij gefrustreerd, wat vaak faalangst met zich meebrengt. Als het timmeren echter lukt, kan hij er iets bijzonders mee doen, mits hij er sterk met zijn aandacht bij blijft. Het timmeren wordt niet zo gauw een automatisme. Soms is de licht geïncarneerde zich daarbij helemaal niet van zijn lichaam bewust, soms beleeft hij het dromend. Het lijkt dan een soort genieten, een soort in-vervoering-zijn. Al met al is het lichaam geen vanzelfsprekende basis voor hem, eerder iets dat voortdurend georganiseerd moet worden.

    Leert een normaal geïncarneerd kind fietsen, dan oefent het met hulp van een volwassene, wat vallen en opstaan met zich mee kan brengen. Het leert al doende, door trial and error. Zo niet het licht geïncarneerde kind. Dat ziet vaak nog lang van fietsen af als de meeste leeftijdgenootjes het inmiddels al beheersen. Uit faalangst? Misschien. Vaak ook omdat er nog niet voldoende motivatie is. Maar dan komt er opeens een moment dat het de fiets pakt, erop stapt en meteen wegrijdt, zonder hulp en zonder veel gewankel. Achteraf kan dan blijken dat dit kind al een tijdje uit zijn ooghoeken heeft geobserveerd hoe anderen fietsen en dat het zich op grond hiervan een beeld heeft gevormd, welk beeld het als het ware in zijn lichaam heeft afgedrukt. Hier geen oefenen, geen vallen en opstaan, geen trial and error.

    Ook als een normaal geïncarneerd kind leert zingen doet het dat via oefenen. Het licht geïncarneerde kind echter zuigt, als het gemotiveerd tot zingen is, in zich op hoe iemand anders zingt en vanuit het zo gevormde beeld kan het bijna meteen iets moois laten horen.

   In het algemeen leert een licht geïncarneerd iemand niet al doende, niet via oefenen, niet stapje voor stapje en niet op gezag van iemand anders. Een licht geïncarneerd iemand leert van het hoofd naar de handen en benen. Hij leert vanuit inzicht of vanuit een beeld, en zonder te oefenen. En hij leert het beste als hij zijn eigen gang kan gaan. Waarbij motivatie de voorwaarde is.

    Samenvattend kan worden gesteld dat de primaire incarnatie een functionele incarnatie is, waarbij de ziel op een vanzelfsprekende manier in het lichaam zit. Deze incarnatie is een goede basis voor werk. De secundaire incarnatie is eerder een doordringende, een waarbij de ziel met een dromend bewustzijn het lichaam doordringt. Deze incarnatie is een goede basis voor dansen, of voor andere creatieve uitingen. Waarmee ik niet wil zeggen dat bij de eerste vorm geen dansen mogelijk is en bij de tweede vorm geen werk.

     

De logica van de ziel

 

    Primaire incarnatie geschiedt als het ware van beneden af, door een natuurlijke verbinding met de aarde, die ons allen draagt en voedt. En door een vanzelfsprekend functioneren van het lichaam, het aardse element in onszelf. Secundaire incarnatie geschiedt als het ware van boven af. Hierbij is niet primair de logica van het aardse bestaan of van het lichaam werkzaam, maar worden het aardse en het lichamelijke benaderd vanuit een logica die eigen is aan de zielenwereld. De aardse logica en de zielsmatige zijn duidelijk verschillend en zijn op een bepaalde manier zelfs tegengesteld.

    De logica van het aardse (en het lichamelijke) hangt samen met wat wij normaal onder ruimte en tijd verstaan. Het gaat dan om gebeurtenissen in een bepaalde ruimte die een bepaalde tijd vragen, waarbij op ieder moment is vast te stellen waar een bewegend object zich bevindt of waar de onderdelen van het object zich ten opzichte van elkaar bevinden. Heel concreet komt het erop neer dat ik, als ik van mijn stoel naar de deur van mijn kamer wil lopen, die zich op een afstand van zo’n drie meter bevindt, eerst op moet staan en vervolgens een stap moet zetten en nog een stap en nog een en misschien nog een, tot ik er ben. Ik kan niet twee stappen tegelijkertijd zetten, ik kan geen stap overslaan. En dit kost tijd. Mijn lichaam is hierbij een object, een ding, een stuk materie. Een object in een bepaalde ruimte, dat ook zelf een bepaalde ruimte inneemt. 

    Anders ligt het met de logica van de ziel. Die kent geen ruimte en tijd, zoals moge blijken uit de droom, die als een beleving op zielsniveau kan worden beschouwd. In ieder geval ben je, als je droomt, niet met je aandacht bij je lichaam. Een droom kun je achteraf vaak wel in termen van tijd en ruimte weergeven, maar dat is dan een vertaling. De droombeleving zelf voltrekt zich daarbuiten om. De tijd is in een droom niet meetbaar, de afstanden zijn relatief, de ruimte is onoverzichtelijk en dingen kunnen zomaar overgaan in andere dingen.

    Eerder heb ik geformuleerd dat de ziel zich manifesteert via aandacht. Welnu, ook bij aandacht spelen ruimte en tijd geen rol. Als ik met mijn aandacht naar de deur van mijn kamer ga, op drie meter afstand, dan ben ik er meteen. Daarvoor hoef ik ook geen afstand te overbruggen.

    Het is door dit buiten de tijd staan van de ziel dat licht geïncarneerde of hoogsensitieve mensen

-      vaak een onduidelijk tijdsbesef hebben,

-      vaak moeite hebben met plannen

-      vaak moeite hebben met oorzaak en gevolg,

-      vaak meer in beelden denken dan in woorden (woorden vragen tijd, beelden niet),

-      vaak in een flits allerlei verbanden kunnen zien (ook hierbij gaat het om een soort beeld),

-      vaak haastig of opgejaagd zijn (in hun ziel zijn ze al veel verder dan met hun lichaam mogelijk is),

-      vaak niet leren door oefenen maar door inzicht,

-      vaak gevoelig (sensitief) zijn voor iemands ‘uitstraling’ en

-      vaak gevoelig zijn voor niet-zintuiglijke indrukken (die uit de zielenwereld voortkomen).

    Dat ze vaak incarneren vanuit een beeld past geheel binnen dit kader.

 

Individualiteit

     

    Eerder stipte ik al aan dat hoogsensitieven zeer gevoelig zijn voor wat er in hun omgeving speelt. En dat de ziel graag, als zij zich vrij kan maken van de lichamelijke begrenzing, in de omgeving uitstroomt. Dit brengt onder andere met zich mee dat hoogsensitieven ontvankelijk zijn voor bijvoorbeeld liefdegevoelens maar dat ze daarbij gemakkelijk zichzelf kunnen verliezen. Verder zijn ze geneigd zich aan te passen, vaak omdat ze zich anders voelen en bang zijn buiten de gangbare criteria te vallen. Ook in dit opzicht raken ze dus gemakkelijk zichzelf kwijt. 

    Maar het uitstromen van de ziel in de omgeving roept nog een tweede reactie in hen op. Uit angst zich te verliezen gaan ze houvast zoeken en dat houvast neemt meestal de vorm aan van controle. Gaan ze het contact met de ander aan vanuit die controle, dan kunnen ze heel bepalend zijn. Zodat we opeens met het tegenovergestelde van jezelf kwijtraken te maken hebben.

    Aan de ene kant passen ze zich dus aan en zijn ze geneigd hun individualiteit terug te houden, aan de andere kant kunnen ze die individualiteit juist heel sterk poneren. Zo balanceren ze tussen ik-sterkte en ik-zwakte. Het midden tussen die twee houdingen, bij jezelf blijven binnen het contact met de omgeving of met de eigen gevoelens, dat is vaak heel moeilijk voor hen. Maar in die richting is wel veel ontwikkeling mogelijk. 

    Al met al is individualiteit een thema voor hen en in de manier waarop ze zich voordoen staat het vaak sterk op de voorgrond. Dat ze alleen kunnen incarneren vanuit een persoonlijke motivatie is bijvoorbeeld een individueel gegeven.

 

Religie

 

    Individualiteit kan sterk gekleurd worden door eigenbelang. Eigenbelang echter is iets wat bij hoogsensitieven meestal niet op de voorgrond staat. Heel gemakkelijk kunnen ze juist het eigen standpunt relativeren (als ze tenminste niet te veel in de controle zitten) en kunnen ze een bovenpersoonlijk standpunt innemen. Ze zien zichzelf niet als afgegrensd persoon, beleven zichzelf voortdurend in wisselwerking met de omgeving. Uiteindelijk is dat de wisselwerking met het universum, zodat de vraag naar zingeving en religie een existentiële vraag voor hen is. Ze willen gewoon weten wat het grote geheel is waarvan ze deel uitmaken.

    Religie streeft naar een verbinding van de mens met wat het menselijke overstijgt, het goddelijke, en als zodanig kan religie aan antwoord bieden op deze zingevingsvraag. De uiterlijke religie echter, die van de geboden en de regels, sluit niet goed bij hen aan. Zij neigen meer naar een innerlijke religie, die de verbinding met het goddelijke rechtstreeks vanuit de eigen ervaring zoekt.

    Een cruciaal onderdeel van de innerlijke religie was vroeger de inwijding. Na een intensieve voorbereiding, die bestond in het verhelderen van de gevoelens en het verwerven van mentaal inzicht, werd de ziel als het ware uit het fysieke bestaan weg getild en werd het leven dat de inwijdeling tot dan toe geleid had uitgewist. Soms gebeurde dat onder invloed van drugs, soms door een onderdompeling in water, soms ook (bijvoorbeeld in de oude Egyptische inwijding) door iets dat leek op een bijna-doodervaring (BDE). Op dit nulpunt vond dan een nieuwe inslag plaats vanuit het goddelijke, waarna de ziel weer in het fysieke bestaan werd teruggebracht. De inwijdeling ging nu een volledig ander leven leiden. Niet meer de fysieke werkelijkheid en het materiële stonden nu op de voorgrond maar het ‘hogere’. De ziel. De geest. Het goddelijke. 

    In de BDE vinden wij een manier van inwijding die in onze tijd veelvuldig is onderzocht, al moet wel worden gezegd dat dit geen vrijwillige inwijding is. Heel veel mensen die een BDE hebben meegemaakt beschrijven achteraf dat ze hun lichaam van buiten af waarnamen, dat ze door een donkere tunnel gingen en dat ze in een lichtwereld terecht kwamen, waar ze een intens liefdevol contact ervoeren met wezens van een ijlere substantie. Vaak bevonden zich daaronder overleden familieleden. Uiteindelijk bewogen deze wezens de betreffende persoon ertoe naar de aarde terug te keren. Aan de bijna-doodervaring is goed af te lezen dat het bewustzijn (de aandacht, de ziel) zich van het fysieke lichaam los kan maken en in een wereld terecht kan komen waar de wetmatigheden van de zielenwereld heersen. En dat dit bewustzijn, gesterkt door de daar opgedane ervaringen, vervolgens een nieuwe verbinding met het lichaam aan kan gaan.

    Ik weet dat er ook meer materieel gerichte verklaringen van de BDE bestaan, maar de verklaring vanuit het vrij gekomen bewustzijn (de vrij gekomen ziel) lijkt mij de meest voor de hand liggende.

    Los van de BDE lijken inwijdingen in onze tijd vooral via levenscrises plaats te vinden.

    Waar het mij in dit kader nu om gaat is dat de hoogsenstitieve eigenlijk al van nature in een toestand is die met die van de ingewijde overeenkomt. Ook bij hem bestaat er een afstand ten opzichte van de gewone wereld. Ook bij hem staat het materiële niet op de voorgrond. Ook hij opereert in feite vanuit de wereld van de ziel. Ook zijn verbinding met het lichaam is een secundaire. Daarom kan hij veel leren van mensen die, bijvoorbeeld aan de hand van een BDE, een concrete verbinding hebben gevonden met de wereld van de ziel en van het goddelijke.

 

De christelijke levenshouding

 

    Voeg je nu individualiteit en religie, de onderwerpen van de laatste twee paragrafen, bij elkaar, dan kom je uit op wat ik zie als de kern van de christelijke levenshouding. Waarmee ik niet wil zeggen dat die kern altijd  door het gevestigde christendom wordt erkend. Vaak is dat juist niet het geval en schuwen christelijke godsdiensten de individualiteit, om in plaats daarvan het gezag van geestelijke leiders te stellen.

    Lees je echter het evangelie van Johannes, dan blijkt Jezus voortdurend het ‘Ik’ aan de orde te stellen, de individualiteit. Het gaat niet om hem als persoon, brengt Jezus naar voren, het gaat om wat hij de mensen voordoet: leven vanuit het Ik. Hij wil een voorbeeld zijn. Jezus zoekt ook vaak individuele mensen op en als er in dit evangelie sprake is van liefde (‘agapeh’), dan wordt hier niet zo zeer genegenheid mee bedoeld als wel een liefde tussen individuen. Voor die genegenheid wordt eerder het woord ‘filia’ gebruikt.

    Het goddelijke is niet meer buiten je te vinden, brengt Jezus in dit evangelie naar voren, je kunt het pas vinden als je je los hebt gemaakt van anderen en een individu geworden bent. Je kunt het dan vinden in je eigen innerlijk. Van daar uit is vervolgens een nieuw contact met andere mensen mogelijk.

    Eigenlijk is dit de weg die veel hoogsensitieven gaan, zij het dat ze zich vaak niet bewust hiervan zijn.

    In het Johannesevangelie maakt Jezus onderscheid tussen de lichamelijke geboorte en de nieuwe geboorte ‘van boven af’, al komt dat niet in  alle vertalingen tot zijn recht. (Joh. 3: 3 en 6) Letterlijk vertaald luidt Johannes 3:3: ‘Voorwaar, voorwaar, zeg ik u, tenzij iemand opnieuw geboren wordt van boven af kan hij het koninkrijk van God niet zien.’ De meeste vertalingen laten dat ‘van boven af’ weg en houden het op ‘opnieuw’. Het betreffende Griekse woord, ‘anoothen’, kan echter behalve 'opnieuw' ook ‘van boven af’ betekenen en de context maakt mij duidelijk dat deze betekenis hier zeker meespeelt.

    Die nieuwe geboorte van boven af specificeert Jezus als een geboorte vanuit de geest, waarbij het gebruikte Griekse woord voor geest (‘pneuma’) ook ‘wind’ en ‘adem’ kan betekenen. Ik ben geneigd het als ‘geestwind’ te vertalen. Jezus zegt: ‘De geestwind waait waar hij wil en je hoort zijn geluid maar je weet niet waar hij vandaan komt of waar hij heen gaat.’ Deze geestwind is dus niet met onze begrippen ten aanzien van ruimte te vatten. Dat heeft hij gemeen met wat ik als ‘de ziel’ beschreven heb, die ook geen lineaire tijd en geen concrete ruimte kent.

    Secundaire incarnatie is volgens de Jezus van het Johannesevangelie een nieuwe incarnatie van boven af, vanuit de geestwind, waarbij het goddelijke op aarde wordt gebracht. 

 

Seks

 

    Jezus geeft deze uitleg in een gesprek met een overste van de Joden, Nicodemus genaamd. Nicodemus begrijpt niet goed wat Jezus bedoelt met die nieuwe geboorte van boven af en gaat vooral in op het betekenisaspect ‘nieuwe’. ‘Hoe kan een mens geboren worden als hij oud is?’, vraagt hij. ‘Kan hij dan voor de tweede maal de moederschoot ingaan en geboren worden?’

    Nicodemus denkt materieel. Hij ziet bij het geboren-worden een moederschoot voor zich en als je daar opnieuw uit wilt komen, wel, dan moet je er eerst opnieuw in zijn gegaan. Waarbij ik mij niet kan onttrekken aan seksuele associaties. Nicodemus geeft Jezus op deze manier gelegenheid het in de vorige alinea vermelde onderscheid tussen de lichamelijke geboorte en de geboorte van boven af aan de orde te stellen.

    Maar een paar verzen verder gaat Jezus zelf ook even in op de seksuele associatie en brengt de slang ter sprake die door Mozes in de woestijn ‘verhoogd’ was. (Numeri 21: 4-9) Die slang kan ik niet los zien van de slang in het paradijs, die het eerste mensenpaar kennis, bewustzijn van de lichamelijkheid en seksualiteit bracht. Mozes verhoogt die slang als een remedie tegen de beten van vurige slangen waaraan het volk lijdt. Ik interpreteer deze scène zo dat het volk onderhevig is aan een verterende seksualiteit en dat de verheffing van deze seksualiteit, het op een hoger plan brengen ervan, het volk geneest.

    Vervolgens stapt Jezus van Mozes’ slang over op wat hij ‘de zoon van de mens’ noemt. ‘Zoals Mozes de slang verhoogde, zo moet de zoon van de mens worden verhoogd,’ zegt hij. Waarbij ik die zoon van de mens in grote lijnen opvat als zijn ziel.

    Bij de hoogsensitieve voltrekt deze verhoging zich al min of meer van nature.

    Wat seks betreft brengt dit met zich mee dat deze vaak niet primair vanuit het lichamelijke (het driftleven, de lust) functioneert, iets wat veel onzekerheid met zich mee kan brengen. Ook om iets met seks te kunnen heeft de hoogsensitieve een motief nodig en binnen het kader van wat Jezus aan de orde heeft gesteld is het voor de hand liggende motief de individuele liefde. Binnen de liefdevolle verbinding tussen twee individuen kan iets goddelijks worden beleefd, geeft Jezus aan. Betrek je hierbij het seksuele, dan kan ook dit met het goddelijke worden verbonden. Tevens kan dan het goddelijke tussen twee mensen op aarde worden gebracht, kan het worden geïncarneerd, want seks is een uitgesproken incarnerende kracht.

    Daarmee is niet gezegd dat seks een voorwaarde is voor de door Jezus bedoelde geboorte van boven af. De verhoging waarover hij spreekt kan op allerlei manieren worden bereikt. Ze geschiedt steeds wanneer een mens zich verheft, zich losmaakt van de materiële criteria, zijn ziel wat meer ruimte gunt, zich in verbinding stelt met ‘het hogere’ en van daar uit weer op aarde werkzaam wordt. Waar het ten aanzien van seks om gaat is dat bij een secundaire incarnatie ook de incarnerende kracht die aan seks eigen is van boven af kan worden aangestuurd. Zodat het seksuele kan worden geïntegreerd binnen het totale mens-zijn. En zodat de sfeer van zondigheid die er al eeuwen lang aan vast heeft gekleefd kan worden opgeheven.

 

Een perspectief

 

    Een hoogsensitief mens heeft moeite met de primaire incarnatie en is in het algemeen aangewezen op de secundaire. Het kan hem helpen als hij dat beseft.

    Het kan hem helpen als hij beseft:

-      dat hij een motief nodig heeft om te kunnen incarneren, vaak in de vorm van een beeld,

-      dat zijn incarnatie een individuele moet zijn,

-      dat zijn lichte incarnatie hem ontvankelijk maakt voor de liefde, maar dat die liefde alleen vruchtbaar is als hij zich er niet in verliest,

-      en dat hij zingeving en enige vorm van religie niet kan ontberen.

    Zoekt hij hierbij een perspectief, dan zou een innerlijk christendom, met zijn nadruk op het individuele en op de liefde, goed bij hem aan kunnen sluiten.