Een blije wetenschap

 

 

 

    De wereld zoals wij die dagelijks meemaken, met haar wolkenkrabbers, jumbojets, computers, verstopte snelwegen, alles overheersende economie, milieuproblemen en atoomdreiging, die hebben wij zelf geschapen. Die is zo geworden omdat wij zo dachten. Die is zo geworden op grond van onze wetenschap. Maar dat die wereld niet lang meer stand kan houden, daarover zijn de meeste geleerden het wel eens. Dapper proberen wetenschappers oplossingen te vinden voor de problemen die ze zelf geschapen hebben, maar veel meer dan detailoplossingen, zoals het terugdringen van sommige vormen van CO2-uitstoot, heeft dat tot nu toe niet opgeleverd. Zeker heeft dat ook met politieke complicaties te maken, maar daarnaast ontbreekt het toch echt aan technische oplossingen. Op grond hiervan zou je kunnen denken dat ons huidige wetenschappelijke denken enige bijstelling behoeft.

 

Aan de universiteit

 

     Zelf heb ik de eer gehad een paar jaar rechtstreeks aan de boezem van de wetenschap te mogen vertoeven. Dat was toen ik sociologie studeerde aan de universiteit van Nijmegen. Ik had hiernaar uitgekeken, want studeren aan de universiteit, dat was toetreden tot de hogere niveaus van de maatschappij. Het leek me dan ook gepast dat een dergelijke stap vergezeld ging van een inwijding, in de vorm van een ontgroening binnen een studentenvereniging, een ontgroening waarin je afstand deed van het leven dat je tot dan toe geleid had, ja, zelfs van de mens die je was geweest. Niets minder dan een nieuwe geboorte stond op het spel. En dat binnen een groep lotgenoten, waarvan er heel wat gedurende deze beproevingen gezworen kameraden werden.

    Sociologie vond ik een interessant vak. Het bestuderen van de mens als een sociaal wezen leidde tot allerlei inzichten en het verbaasde mij dat zo veel van wat ik als individueel gedrag had beschouwd door sociale factoren bepaald leek te worden. Dat de mens niet uitsluitend een sociaal wezen was, dat op een bepaalde manier ieder mens toch ook uniek was, het was een gevoel dat ik ter wille van de sociologie een beetje op de achtergrond hield. Juist de beperking van je blik, zo leerde ik, leverde interessante informatie op. Wetenschap had blijkbaar iets met beperking te maken.  

    Toch hoopte ik stiekem dat een van mijn bijvakken, psychologie, op dit uniek-zijn een licht zou kunnen werpen. Dat unieke zat in de psyche, nam ik aan, in de innerlijke roerselen, en ik was benieuwd wat de wetenschap over die innerlijke roerselen te melden zou hebben. Ook hier kwam ik echter de beperkingen tegen die de wetenschap zichzelf stelt. Er was helemaal geen sprake van innerlijke roerselen binnen de  psychologie. Althans, de roerselen werden niet als innerlijk gezien, er was eigenlijk geen innerlijk. Er was alleen gedrag en dat kwam min of meer overeen met het gedrag van dieren. Natuurlijk was dit ook weer een bepaalde optiek, maar zo werd het niet gebracht. Die optiek werd zeer serieus genomen en werd als waarheid gepresenteerd. Verder werd mijn spontane overtuiging, dat de mens behalve dierlijke toch ook typisch menselijke eigenschappen had, niet zo zeer als buiten het kader van de psychologie vallend beschouwd maar als illusie terzijde geschoven. Wat je niet in een laboratorium kon bestuderen bestond gewoon niet.

    Ondertussen werd het begrip psyche zo inhoudsloos voor mij dat ik soms, in een weerbarstige bui, sprak over een psyche-loze psychologie.

    Ook binnen andere vakken werd mij langzamerhand duidelijk dat de beperkingen die de wetenschap zich stelde, ter wille van de helderheid en ter wille van het opdoen van nieuwe inzichten, vaak niet meer als beperkingen werden gezien. Ook hier werd de wetenschappelijke optiek vaak gewoon als de enige waarheid beschouwd.

    Het bracht mij in een innerlijke tweespalt en dat die innerlijke tweespalt volgens de psychologie helemaal niet kon bestaan hielp mij niet echt om eroverheen te komen. Aan de ene kant was er mijn geloof in de waarde van de wetenschappelijke beschouwingswijze, was er mijn bewondering voor veel van de resultaten en mijn trots over het feit dat ik tot dit heiligdom was toegetreden. Aan de andere kant was er de zorg voor een aspect van mezelf dat door de wetenschap werd ontkend maar dat ik niet kwijt wilde. En dat zijn weg onder andere vond in de vele gedichten die ik schreef in die tijd.

    Sprak ik met medestudenten over deze tweespalt, dan wisten de meesten wel waar ik het over had. Op de een of andere manier leek dit echter geen punt voor hen, zij waren al over de brug. Zij waren veel beter dan ik in staat om zich met de wetenschap te identificeren en werkelijk het oude denken achter zich te laten. Al hadden ze daar wel bijna dagelijks een flinke hoeveelheid biertjes voor nodig.

    Was ik nou zo eigenwijs?

    Een beetje wel. Dat merkte ik bijvoorbeeld aan het feit dat ik er moeite mee had boeken te lezen waarin anderen hun wetenschappelijke ideeën ontvouwden. Ik was meer geïnteresseerd in de ideeën die ik zelf had. Ik las die boeken vluchtig en omdat ik in staat was om snel de kern van een gedachte te vinden en de lacunes handig met mijn eigen ideeën op te vullen kwam ik daar een tijd lang mee weg. Maar dat werd steeds lastiger.

    Ik was niet trots op mijn eigenwijsheid en probeerde die vaak opzij te zetten. Op een gegeven moment ben ik die echter min of meer gaan accepteren.

    Dat ik jaren lang deze tweespalt heb kunnen uithouden was mede te danken aan de vele mimecursussen die ik volgde, waarin, doordat het lichaam werd aangesproken, het uit de wetenschap voortkomende eenzijdige beroep op het hoofd werd gecompenseerd. Maar na vier jaar had ik genoeg van dit tweespaltige bestaan en stapte ik over op de mimeopleiding van de Amsterdamse Theaterschool.  

    Daarna heb ik me nog veel met wetenschap beziggehouden, maar nu op mijn eigen manier en vanuit mijn eigen motivatie. En op momenten dat ik eraan toe was. In een boek vond ik een uitspraak van Einstein. ‘Ik denk dat je zelfs bij een gezond roofdier de vraatzucht zou kunnen wegnemen als het je zou lukken om het met behulp van een zweep voortdurend tot eten te dwingen wanneer het geen honger heeft.’ Ja, daar was ik het mee eens.

    Ook na mijn mimecarrière, toen ik ging werken met kinderen die aan een ontwikkelingsstoornis leden, deed ik de ervaring op dat wetenschap pas zinvol is als ze op het juiste moment wordt aangewend en niet al van tevoren de blik op de werkelijkheid bepaalt. Ik kwam daar veel met autistische kinderen in contact, waarbij het feit dat ik niets van autisme af wist het mij mogelijk maakte spontaan en instinctief te reageren. Het enige dat ik van autisme wist was dat mensen met autisme niet communiceren, maar dit werd door mijn ervaring tegengesproken. Ik ervoer ze namelijk als zo uitgesproken levendig, expressief en ook communicatief dat ik aan hun diagnoses ging twijfelen. Daarbij hielp het mij dat ik vanuit mijn mimeachtergrond gemakkelijk met de wetmatigheden van afstand, nabijheid, intentie en beweging kon werken bij het communiceren, wetmatigheden die perfect bij hen aansloten. Later, toen ik veel over autisme had gelezen, besefte ik dat de diagnoses wel juist waren geweest, maar wat ik aan deze kinderen ontdekte stond niet in de boeken beschreven. En wat er wel in beschreven stond kon door mij vanuit een andere context zinvol worden gemaakt. Ik bedoel: ik kon de beschreven feiten wel plaatsen, maar ik interpreteerde ze net even anders. Deze kinderen sloten zich niet af voor communicatie, was mijn conclusie, ze communiceerden alleen niet op de gebruikelijke manier.  

    Weer later ging ik lezen over dieptepsychologie op het moment dat ik met mezelf in de knoop was geraakt. Complete boekwerken van Freud, Jung en Reich werkte ik door, gewoon gemotiveerd door een existentiële onderzoekingsdrang op dit gebied. Het begrijpen van deze moeilijke teksten kostte mij nauwelijks moeite, want ik had ervaringen waaraan ik ze kon relateren. En ze waren vruchtbaar voor mij doordat ik merkte dat ze een licht op mijn ervaringen wierpen.

    Het leidde mij tot de overtuiging dat wetenschap als zodanig ballast is. Dat wetenschap pas aan de orde is als zij een antwoord biedt op een vraag. 

 

Wat is wetenschap?

 

    Wetenschap is een gerichtheid op weten. Een gerichtheid op kennis.

    Iemand wil bijvoorbeeld weten (Newton in dit geval) waarom een voorwerp valt als het wordt losgelaten. Zo ontdekt hij de wetten van de zwaartekracht en wordt het onder andere mogelijk een klok te laten functioneren op basis van aan kettingen hangende gewichten.

    Het zoeken naar kennis is van alle tijden. Het lijkt mij echt een streven dat aan de mens eigen is. (Als ik dat tenminste zo mag zeggen, want momenteel  wordt binnen de wetenschap nogal eens betwijfeld of er zoiets bestaat als ‘aan de mens eigen’.) In ieder geval had ook de primitieve mens al kennisdrang, zelfs voordat het schrift bestond. Monumenten uit de steentijd zoals Stonehenge laten duidelijk zien dat de beweging van de sterren aan het hemelruim de mensen van die tijd ten zeerste interesseerde, zo zelfs dat ze uit loodzware stenen bestaande bouwsels maakten om iets van de regelmaat binnen deze sterrenbeweging als het ware te vangen. Stonehenge is de uiting van een vorm van kennis, zowel architectonische kennis als astronomische. Met veel andere bouwsels uit de vroege geschiedenis, bijvoorbeeld de Egyptische piramides, was dat niet anders. Ook de primitieve mens beoefende weten-schap.

    Wetenschappelijk volgens de huidige criteria was deze kennis echter nog niet. Wetenschap volgens de huidige criteria begon pas in de Griekse Oudheid, toen het begrip ‘filosofie’ ontstond en toen filosofen over het denken na gingen denken. Ze wilden het denken logisch maken, onontkoombaar, en stelden redeneringen op waar geen speld tussen de krijgen was. Zoals het bekende:

 

Alle mensen zijn sterfelijk.

Piet is een mens.

Dus is Piet sterfelijk.

 

    In andere gebieden van de wereld, bijvoorbeeld in India en China, ontstonden rond dezelfde tijd pogingen tot welbewust logisch denken.  

    Wil je logisch denken, dan moet je wat afstand nemen ten opzichte van de werkelijkheid. Je moet dan je beleving, je gevoelsleven en je lichamelijkheid opzij zetten, je moet je beperken tot het waarnemen en het denken. Want het gaat erom een standpunt te vinden dat geldt voor iedereen en dat is alleen mogelijk als het eigen standpunt wordt verlaten. Je stapt dus een beetje uit de wereld en stapt tegelijkertijd een beetje uit jezelf.

    Waarom doe je die moeite? Ter wille van de objectiviteit.

    De momenteel gangbare wetenschap is voortgekomen uit de filosofie van de Griekse Oudheid, met de filosoof Aristoteles als voortrekker. De grote winst van deze vorm van wetenschap is inderdaad de objectiviteit. Het nadeel is echter dat de vertrouwde dingen tot objecten worden. Want het objectiveren maakt de vertrouwde dingen tot objecten.

   

    Het lijkt vreemd, maar het is naar mijn idee niettemin een wetmatigheid dat je, wanneer je op een objectieve manier naar de dingen kijkt, alleen hun buitenkant ziet. Dat wil zeggen: hun object-zijn. En dat de dingen, wanneer ze vanuit een zekere betrokkenheid benaderd worden, reageren en zelf gaan vertellen wat er achter die buitenkant zit.

    Ik kom hier nog op terug.

 

    Een lastige complicatie van een objectieve wetenschap vind ik dat er binnen dit kader geen ethiek mogelijk is. De gangbare wetenschap is a-ethisch en wil dat ook zijn. Wat wel vaak gebeurt is dat men alsnog wat ethiek probeert toe te voegen wanneer het om de toepassingen gaat, alleen zijn die pogingen halfslachtig, ontberen ze een fundament en werken ze meestal ook niet. Zo ging het bijvoorbeeld met de atoombom. Eerst werd buiten iedere ethiek om  een atoombom in elkaar geknutseld, vervolgens, toen de zaak uit de hand liep, probeerde men ethische afspraken te maken ten aanzien van het gebruik. Tot op heden heeft dat echter nog niet het gewenste resultaat opgeleverd. Voortbordurend op een bekend sprookje zou je kunnen zeggen dat de geest uit de fles werd gelaten maar dat niemand de macht had hem er weer in te krijgen.

 

    Waar ik naar zoek is een wetenschap waarbij het ethische al binnen de wetenschappelijke bedrijvigheid zelf aanwezig is. Zodat de resultaten meteen al ethisch zijn. Liefdevolle betrokkenheid is daarbij de voorwaarde. 

   

    De nadelige aspecten van de gangbare wetenschap doen zich des te pijnlijker gelden doordat veel van haar beoefenaren haar niet als een bepaalde, specifieke manier van weten beschouwen maar als een weten met een universele geldigheid. Ze willen een monopoliepositie creëren voor hun manier van wetenschap bedrijven. Ze pretenderen de waarheid te weten. Ze claimen een bepaalde autoriteit. Ze bestrijden  andersdenkenden. Op die manier beantwoordt de gangbare wetenschap aan alle kenmerken die gelden voor een geloof, of voor een godsdienst. De gangbare wetenschap, die met de nodige heftigheid de godsdiensten bestrijdt, is zelf hier en daar tot een godsdienst geworden, zij het dan een godsdienst zonder God. De wetenschappers hebben zelf de plaats van God ingenomen.

    En net als God zijn ze gaan scheppen.

    Zo hebben ze chemische substanties geschapen, plastic bijvoorbeeld. Erg handig en erg functioneel, maar wel een bedreiging voor het milieu. Ook de chemische medicijnen die werden ontwikkeld zijn handig en functioneel. En ze hebben veel ziektes uitgeroeid. Maar andere ziektes zijn ontstaan of hebben zich uitgebreid. Kanker bijvoorbeeld, of hart- en vaatziekten, of autoïmmuunziektes. Terwijl door de objectieve manier waarop deze wetenschappers het lichaam benaderen de beleving van de eigen lichamelijkheid bemoeilijkt wordt.

    Zo hebben de wetenschappers voertuigen gemaakt die voortbewogen worden via brandstoffen als benzine en kerosine. Snelle verplaatsingen zijn op deze manier mogelijk geworden, maar de andere kant is een luchtvervuiling die in grote steden tot allerlei ademhalingsproblemen leidt en die ook weer het milieu bedreigt.

    Zo hebben de wetenschappers de atoomfysica ontwikkeld, waarmee grote hoeveelheden energie kunnen worden geproduceerd, maar tevens atoomwapens die het voortbestaan van de aarde bedreigen. Terwijl de radioactieve afvalproducten ook weer een bedreiging zijn voor het milieu en voor het voortbestaan van de aarde, die ons allen draagt en voedt.

    Kortom deze wetenschap bood veel oplossingen. Maar heel weinig oplossingen voor de problemen die zij zelf geschapen had. 

 

Individualiteit  

 

    Heeft de gangbare wetenschap dan helemaal geen zin en had ze er beter niet kunnen zijn? Nee, zo zie ik dat niet. Maar om aan te geven waar naar mijn idee die zin in zit moet ik even iets van mijn uitgangspunt duidelijk maken.

    De gangbare wetenschap gaat ervan uit dat de wereld uit de zo genoemde oerknal is ontstaan. Een punt met een oneindige dichtheid explodeerde en de zich verspreidende brokstukken werden tot het heelal, dat nog steeds uitdijt. Een zin had deze dramatische ontwikkeling niet en ook wat er daarna gebeurde, het ontstaan van leven, de evolutie, het ontstaan van de mens, het had allemaal geen zin. Het was gewoon toeval.

    Dat is niet mijn uitgangspunt. Mijn uitgangspunt is dat de wereld geschapen is door een opperwezen, een god, en dat wij, schepsels, het een en ander kunnen leren van deze schepper en van de principes die bij de schepping geldend zijn geweest. Iedere vorm van weten zoekt naar wetmatigheden. Welnu, ik zoek die wetmatigheden hier. De wetmatigheden, het zijn voor mij wat je ‘de scheppingsgedachten’ zou kunnen noemen.

    Doordat de gangbare wetenschappers zich buiten de wereld hebben gesteld, en buiten zichzelf, hebben zij zich van God los gemaakt, is mijn idee, maar zo leerde de mens wel op zichzelf te staan. Hij ontwikkelde tegenover God een zekere zelfstandigheid, zoals een puber die zich tegen zijn ouders keert zelfstandigheid ontwikkelt. En dat de mens van God werd afgesneden en een individu werd, het zou wel eens de poort naar heel nieuwe oplossingen kunnen worden. Ook hier kom ik nog op terug. Wij hebben het aan de gangbare wetenschap te danken dat deze zelfstandigheid en deze individualiteit mogelijk zijn geworden. Daarin ligt voor mij haar zin.

    Naar mijn idee worden deze zelfstandigheid en deze individualiteit echter pas vruchtbaar wanneer het individu de puberteit achter zich laat en een nieuwe verbinding met God zoekt, nu niet meer als een kind dat onderhevig is aan de autoriteit van de ouder maar als een gelijkwaardige partner, die in vrijheid het contact aangaat. Dan kan de verbinding met God er een worden van liefde, een liefde waarvoor deze vrijheid de voorwaarde is.

   

    De gangbare wetenschap is een wetenschap van de linker hersenhelft, de helft waar het lineaire, analytische denken wordt aangestuurd, het denken van het hoofd. Daarin ligt haar legitimiteit. De vraag is echter of er niet ook een weten mogelijk is dat meer uit de rechter hersenhelft voortkomt en waarin het hart een aandeel heeft.

    Of, anders gesteld: is er naast de toch wel typisch mannelijke kennis waar de gangbare wetenschap zich aan wijdt ook een meer vrouwelijke kennis mogelijk?  

   

Tegenstemmen

 

    Als de eerste wetenschapper in de gangbare zin kunnen we waarschijnlijk René Descartes beschouwen. Hij zag de wereld als een mechanisme, een soort opgedraaide klok. Ook de mens was volgens hem zo’n klok en het verschil tussen een levend mens en een dode was dat in het tweede geval de klok niet was opgedraaid. Als de kern van het menselijk bestaan zag hij het denken.

    Descartes leefde van 1596 tot 1650 en in zijn tijd stond deze nieuwe wetenschap nog zeer ter discussie. Dat was al minder het geval bij een van de groten na hem, de al eerder genoemde Isaac Newton, die de zwaartekracht in de wetenschap introduceerde en op basis daarvan de bewegingen van de hemellichamen verklaarde. Newton leefde van 1642 tot 1727.

    Rond de tijd van Newton’s sterven had zelfs de Kerk vrede met de nieuwe wetenschap, ook al had die wetenschap dan God uitgebannen en de materie ervoor in de plaats gesteld. De Kerk ging zich nu gewoon specialiseren in het religieuze, het  wetenschappelijke aan de wetenschap overlatend. Anders dan voorheen, toen religie en wetenschap nog nauw verbonden waren, werden ze nu los van elkaar staande facetten van het maatschappelijke leven. Ook binnen de wetenschappers zelf kon je deze losse facetten aantreffen. Zo konden veel wetenschapper zich door de week bezighouden met een wetenschap die alleen materie erkent en dan ’s zondags naar de kerk gaan om een ander deel van hun persoon ruimte te geven, zonder dat deze facetten op een of andere manier geïntegreerd werden. Ondertussen waren het diezelfde wetenschappers die steeds meer het gezicht van de wereld bepaalden. De stoommachine ontstond, de grotendeels gemechaniseerde fabrieken met hun massaproductie, de spoorwegen, de arbeidersklasse …. En de steden bleven maar groeien.

    Terwijl in de negentiende eeuw deze wetenschap triomfen vierde deden zich  steeds meer stemmen horen die haar ter discussie stelden, nu niet meer alleen van zwevende romantici maar ook van serieus te nemen filosofen. Ik noem er twee die mij hebben geïnspireerd: Sören Kierkegaard (1813-1855) en Friedrich Nietzsche (1844-1900).

    Kierkegaard stelde vooral het objectieve van de wetenschap ter discussie. Zelf was hij niet uit op een objectieve waarheid maar op een subjectieve, een waarvoor hij wilde leven en sterven. Voor hem ging het erom dat iedereen zijn eigen subjectieve waarheid vond, op grond van waarden waarin hij geloofde. Leven als een werkelijk mens (‘existeren’) berustte volgens hem op het doen van een levensbepalende keuze. Ieder individu moest zijn eigen existente kiezen. Voor Kierkegaard was dit niet alleen theorie, hij bracht het ook in de praktijk. Hij koos er bijvoorbeeld voor afstand te doen van het meisje waarmee hij verloofd was, iets wat zijn leven diepgaand heeft beïnvloed. Niettemin bleef hij haar innerlijk trouw, zelfs toen ze een huwelijk aanging met een ander.

    Ook Nietzsche geloofde niet dat wetenschap objectief kon zijn. Dit werkte hij onder andere uit in het in1882 verschenen boek ‘Die fröhliche Wissenschaft’. De titel intrigeerde mij. Kon wetenschap vrolijk zijn? Dat Nietzsche met zijn vrolijke wetenschap aanknoopte bij de troubadours uit de twaalfde en de dertiende eeuw bracht mij ertoe de troubadours nader te bestuderen.  

 

De troubadours

 

    De troubadours waren de zangers van wat de ‘hoofse’ liefde is gaan heten. Zelf spraken ze van de ‘fin amors’, de verfijnde liefde. Vooral in Zuid-Frankrijk ontplooiden ze hun kunst.

    In deze verfijnde liefde ging het om verheffing. De geliefde vrouw werd op een voetstuk geplaatst en werd ‘domna’ genoemd, heerseres. Vaak stond ze ook al op een voetstuk doordat ze een hogere sociale status had en niet zelden was ze in feite onbereikbaar voor concreet contact. Doordat hij de domna als boven hemzelf verheven beleefde moest de troubadour zich verheffen om haar te kunnen benaderen.

    Regel was dat de liefde voor de domna kuis moest zijn, waarbij er verschillende interpretaties van de term kuisheid bestonden. Voor sommige troubadours was het onbereikbaar zijn van de geliefde een voorwaarde voor de verheffing en in dat geval was kuisheid natuurlijk geen probleem. Jaufré Rudel dichtte bijvoorbeeld:

 

‘Ik heb een vriendin maar ik weet niet wie zij is

want ik zie haar nooit…

Toch houd ik veel van haar….

Geen enkele vreugde bevalt mij zo zeer

als het bezit van deze verre liefde.’

 

    Andere troubadours hadden een concreter contact voor ogen, zoals Willem IX van Aquitanië, die als de eerste troubadour kan worden beschouwd en die een duidelijk lichamelijke relatie met zijn domna onderhield, nadat hij haar geroofd had van een ander. In een van zijn liederen komt de tekst voor:

 

‘God geve dat ik nog een keer

mijn handen onder haar mantel mag steken.’

 

    Bij hem zat de kuisheid niet zo zeer in het ontbreken van lichamelijk contact als wel in de manier waarop het plaatsvond.

    Overigens heeft de hier aangeroepen God een duidelijk ander karakter dan de God zoals de katholieke Kerk die zich voorstelde. Willen IX lag dan ook voortdurend met de Kerk overhoop en dat was met veel andere troubadours eveneens het geval. Niet weinige zijn door de Kerk als ketters vervolgd, vooral de troubadours die zich verbonden hadden met de destijds enorm verbreide ketterij van de Katharen.

    Wat Willem IX met zijn verheffing introduceerde was niets minder dan een vergoddelijking van het aardse, vooral van het lichamelijke en het seksuele. Daarmee streek hij de Kerk, die een stevige weerstand koesterde tegen het seksuele en het lichamelijke, vreselijk tegen de haren in.    

    De beloning waar de troubadour op uit was bestond in een kuise kus van zijn ‘domna’, die beleefd werd als een sacrament en als een inwijding. In sommige gevallen bleef het niet bij die kus en ook niet bij die kuisheid, maar waar het om ging was dat de domna door alle verheven erotiek heen een poort tot kennis werd. De rol die haar werd toebedeeld was uiteindelijk die van de Sofia, de Wijsheid die toegang geeft tot het goddelijke en die vandaar uit een licht op de verschijnselen van de concrete wereld kan werpen. Die wijsheid werd als uiterst vreugdevol beleefd en het woord ‘joy’, vreugde, is binnen de troubadoursteksten dan ook rijk vertegenwoordigd.

 

‘… dan heb ik vreugde daaraan en vreugde aan de bloem

en vreugde aan mijzelf en nog grotere aan mijn Domna.

Van de vreugde rondom ben ik sleutel en zin,

maar de vreugde uit haar is van alle vreugde de bron.’

 

    In 1323 probeerde onder de noemer ‘gai saber’, blije wetenschap, een groep van zeven dichters uit Toulouse de inmiddels in verval geraakte troubadourskunst nieuw leven in te blazen. Blijkbaar verbonden ook zij de verheffing van de liefde met weten, met kennis. Dat dit blije weten goed aansloot bij de manier waarop Nietzsche wetenschap wilde bedrijven bracht hem tot de titel van zijn boek.

 

Nietzsche en zijn vrolijke wetenschap

  

    Nietzsche bewonderde in de troubadours dat zij in zijn ogen een combinatie waren van zangers, ridders en vrije geesten. In hun ‘wetenschap’ waardeerde hij het poëtische element. Hij zelf vlocht ook graag gedichten door zijn filosofische verhandelingen en van ‘Die fröhliche Wissenschaft’ vormen gedichten een substantieel onderdeel. In hun ridderschap waardeerde hij de vitale kracht, een thema dat in zijn filosofie een belangrijke rol speelde, ondanks, of misschien wel doordat, hij zijn leven lang een broze gezondheid had. En wat die vrije geesten betreft, hij was er zeker ook zelf een.

    Verder zag hij in de troubadours de uitvinders van de liefde als passie. Dat waardeerde hij eveneens in hen.

    Net als Kierkegaard filosofeerde Nietzsche om denkbeelden te vinden waarmee hij kon leven. Zijn behoefte aan kennis was sterk passioneel. En ook weer net als Kierkegaard uitgaande van de visie dat er geen objectieve waarheid bestond paste hij in zijn filosofie een steeds wisselen van standpunt toe. Voor Nietzsche was alles beweging en eigenlijk zocht hij een filosofie die danste.

    Kort na de publicatie van ‘Die fröhliche Wissenschaft’ deed Nietzsche trouwens ook zelf ervaring op met de ‘fin amors’. Hij werd verliefd op Lou Salomé, een intelligente en bruisende jonge vrouw van eenentwintig, net als hij hartstochtelijk op zoek naar kennis die haar hielp te leven. Nietzsche was toen achtendertig. Zij was enthousiast over zijn denkbeelden en via diepe filosofische gesprekken ontstond er een intimiteit tussen hen die hem hevig beroerde en zeer inspireerde. Toen hij haar echter ten huwelijk vroeg wees ze hem af. Het was niet het lichamelijke dat ze bij hem zocht maar het filosofische.

  Niettemin trokken ze daarna nog maanden lang intensief met elkaar op en vormden ze een soort bondgenootschap, waartoe overigens ook de filosoof Paul Rée behoorde. Tijdens een wandeling die hij met haar maakte over de Monte Sacro in Italië en die zo lang duurde dat de achterblijvers zich ongerust begonnen te maken bereikte hun intimiteit een hoogtepunt. In ieder geval hebben ze beiden deze wandeling als een bijzonder moment in hun contact beschouwd. Lou Salomé schreef in haar memoires zich niet meer te herinneren of ze tijdens deze wandeling gekust hadden, wat het voor mij zeer waarschijnlijk maakt dat ze dit wel degelijk hebben gedaan. Het lijkt mij niet vergezocht te veronderstellen dat Nietzsche op de Monte Sacro, de Heilige berg, zijn sacramentele kus heeft beleefd.

  Mede onder invloed van Nietzsche’s zus, die hevig jaloers op Lou Salomé was en die veel moeite had met het onconventionele van hun contact, kwam het wat later tot een verwijdering, maar dat Lou Salomé een sterke en blijvende invloed op Nietzsche heeft uitgeoefend kan niemand ontkennen. Het was ook onder haar inspiratie dat hij in 1883 het eerste deel kon schrijven van wat zijn belangrijkste werk zou worden, ‘Also sprach Zarathustra’. Geheel in ritmische versregels geschreven heeft ook dit meeslepende boek een sterk poëtische kwaliteit. Een belangrijk thema is de mens die het gewone mens-zijn overstijgt, waarbij opnieuw een overeenkomst met de troubadours bestaat.

  Lou Salomé heeft voor Nietzsche duidelijk de rol van domna en Sofia vervuld.

 

De vrouw

 

  De verschillen tussen enerzijds de objectieve wetenschappers Descartes en Newton en anderzijds de gepassioneerde denkers Kierkegaard en Nietzsche weerspiegelen zich ook in hun verhouding tot de vrouw en de liefde. In het leven van de eerste twee heeft er nauwelijks een gevoelsverbinding met vrouwen bestaan, terwijl die in het leven van de laatste twee van cruciaal belang was.   

  Descartes heeft, voor zo ver bekend, nooit een intieme relatie met een vrouw gehad, op die ene keer na dat hij het dienstmeisje van zijn gastheer bezwangerde ter wille van een onderzoek naar de menselijke voortplanting. Alles wijst erop dat het wetenschappelijke experiment hierbij zijn motief is geweest, een experiment met als conclusie dat het seksuele verkeer geheel op reflexen berustte. Gevoel zal dus nauwelijks een rol hebben gespeeld. Wel moet worden gezegd dat Descartes veel genegenheid heeft gekoesterd voor het uit dit experiment voortgekomen dochtertje en dat hij, toen zij op vijfjarige leeftijd aan roodvonk overleed, ontroostbaar was. Verder mag niet onvermeld blijven dat hij het dienstmeisje en de moeder van zijn kind niet in de steek heeft gelaten. Hij nam haar mee bij zijn verhuizingen, niet alleen toen hun kind nog leefde maar ook daarna. Uiteindelijk, toen ze met een ander een huwelijk aan wilde gaan, betaalde hij haar bruidsschat.

  Newton was, net als Descartes, graag op zichzelf. Ging hij contact aan met anderen, dan kon hij onaangenaam, bits, of zelfs vijandig zijn. Het is niet van hem bekend dat enige vrouw een rol van betekenis in zijn leven heeft gespeeld. Op zijn moeder na, die hem in de steek liet.

  Kierkegaard deed weliswaar afstand van zijn verloofde maar dat maakte geen einde aan zijn liefde. Innerlijk bleef hij haar zijn leven lang trouw en eigenlijk bleef ze zijn muze. Verder getuigt hij in zijn geschriften van een levendige belangstelling voor vrouwen, liefde en erotiek.

  Nietzsche verloor op jonge leeftijd zijn vader en groeide verder op met uitsluitend vrouwen om zich heen: behalve zijn moeder en zijn zus ook nog twee tantes. Het schijnt voor hem geen onverdeeld genoegen te zijn geweest. Er zijn veel uitspraken van hem bekend die getuigen van vrouwenhaat en fysieke relaties met vrouwen schijnt hij uit de weg te zijn gegaan. Zijn relatie met vrouwen was niet ongecompliceerd. Maar het is zeker dat het contact met Lou Salomé cruciaal voor hem is geweest en hem diepgaand heeft geïnspireerd. Zij werd zijn ‘domna’ en zijn muze, ook al wijst het feit dat bij dit contact nog een andere man betrokken was, Paul Rée, mogelijk op een biseksuele instelling bij deze grote filosoof.

 

   Kennelijk kan een objectieve wetenschap het heel goed zonder het vrouwelijke stellen. En kan een vorm van wetenschap die op zoek is naar meer betrokkenheid niet om het vrouwelijke heen.

 

De fenomenologie

 

  Nog uit een andere hoek kwam in de negentiende eeuw kritiek op de gangbare wetenschap.

  De belangrijkste schrijver binnen het Duitse taalgebied, Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832), was behalve schrijver een enthousiast natuuronderzoeker. Zelf hechtte hij zelfs meer waarde aan zijn natuuronderzoek dan aan het literaire werk waarmee hij zo beroemd geworden is. Onbevangenheid stond bij dit onderzoek voorop en eigenlijk vertrouwde hij puur op de waarneming, zonder vooropgezette theorieën. De dingen zouden zelf wel hun wetmatigheden laten zien wanneer je ze goed waarnam, was zijn idee. Wanneer je je oordeel zo lang mogelijk wist terug te houden. Zo kwam hij tot sterk van de gangbare wetenschap afwijkende ontdekkingen op zulke diverse gebieden als geologie, meteorologie, plantkunde, morfologie en kleurenleer.

  Langdurige bestudering van planten leidde hem bijvoorbeeld tot de visie dat de plant zich vormde op basis van wat hij ‘de oerplant’ noemde. Die oerplant zag hij in het blad en de plant als geheel beschreef hij als een serie variaties op wat in het blad zichtbaar werd. De bloem zag hij bijvoorbeeld als een blad dat zich ontvouwde op een hoger niveau.

  Bestudering van kleuren leidde hem tot een heel andere visie dan de door de gangbare wetenschap omarmde visie van Newton. Die van Newton hield in dat kleuren voortkwamen uit een analyse van wit licht. Goethe hield niet van analyse. Wat hij ontdekte was dat bij gebruik van een prisma kleuren ontstaan op de grens tussen licht en donker. En dat het spectrum ontstaat bij een overlapping van deze kleurige grensgebieden. Verder ontdekte hij het principe van de complementaire kleuren. Geen enkele wetenschapper kon de juistheid van Goethe’s  kleurwaarnemingen in twijfel trekken maar toch is zijn kleurenleer nooit door de gangbare wetenschap erkend. Door de kunst des te meer. Nog steeds baseren veel schilders zich op zijn kleurentheorie.

  Rudolf Steiner (1864-1925), die Goethe’s wetenschappelijke geschriften redigeerde en opnieuw uitbracht, beschreef de hierin gebruikte methode als fenomenologie. Een fenomenoloog was voor Steiner een wetenschapper die de fenomenen zonder oordelen op zich in liet werken om pas achteraf uit zijn waarnemingen de wetmatigheden te distilleren.

  Steiner baseerde zich op de visie dat de werkelijkheid uit twee gedeelten bestaat. Aan de ene kant is er de wereld, met zijn zintuiglijk waarneembare dingen. Aan de andere kant is er het menselijke denken, dat een innerlijke activiteit is en dat probeert bij de uiterlijke verschijnselen de passende ideeën te vinden. Slechts wanneer die twee gedeelten van de werkelijkheid als het ware over elkaar heen worden geschoven heb je te maken met de werkelijkheid als geheel. Die passende ideeën lagen volgens Steiner niet kant en klaar in het menselijke bewustzijn opgeslagen. Het was veeleer zo dat de menselijke geest toegang had tot een specifiek gebied in de geestelijke wereld, het gebied van ‘de wereldgedachten’, waar hij die ideeën bij wijze van spreken uit kon plukken.

    Een fenomenoloog was voor Steiner iemand die specifieke waarnemingen kon voorzien van passende ideeën

 

  Bekend geworden binnen de geschiedenis van de wetenschap is de fenomenologie vooral via Edmund Husserl (1859-1938). Husserl was wiskundige en als zodanig specialist op het vakgebied waaraan de gangbare wetenschap haar objectiviteit ophing. Want al vanaf Descartes werd de wiskunde als het criterium voor objectiviteit beschouwd. Omdat Husserl echter de overtuiging had dat het wetenschappelijke denken toe was aan vernieuwing liet hij zijn vakgebied los en ging hij zich verdiepen in filosofische en kentheoretische kwesties, hetgeen er rond 1900 toe leidde dat hij een alternatieve wetenschapsvorm kon introduceren.

  Ook bij Husserl ging het erom theoretische uitgangspunten op te schorten en de dingen voor zichzelf te laten spreken. In eerste instantie kwam zijn wetenschap, die hij eveneens fenomenologie noemde, neer op het beschrijven van de waargenomen dingen. In tweede instantie ging het vervolgens om het doorzien van de wetmatigheden die zich bij de dingen voordeden. Dat op deze manier verschillende personen verschillende beschrijvingen en duidingen konden geven ten aanzien van hetzelfde ding vond Husserl geen probleem. Hij geloofde dat er door het op elkaar afstemmen van verschillende visies een ‘intersubjectief’ wereldbeeld kon ontstaan. 

  Husserl heeft zijn fenomenologie zowel voor de natuurwetenschap als voor de menswetenschappen bedoeld. De meeste invloed had hij echter op  menswetenschappers, bijvoorbeeld op Karl Jaspers, Martin Heidegger, Maurice Merleau-Ponty, Jean-Paul Sartre en Michel Foucault. Daarbij bleek dat het fenomenologische principe op heel verschillende manieren kon worden uitgewerkt en dat deze wetenschapsvorm zich niet leende voor een strakke systematiek. Mede daardoor heeft de fenomenologie binnen de gangbare wetenschap niet de plaats verworven die ze naar mijn idee verdient, al zijn er nog steeds wetenschappers die hun voordeel doen met elementen ervan.

  Wat ik als het grote voordeel zie van de fenomenologie is dat ze een verbinding legt tussen de waarnemer en het waargenomene. Daarbij worden de dingen niet eenzaam gelaten en worden ze geen objecten, maar worden ze serieus genomen en krijgen ze gelegenheid voor zichzelf te spreken. Tegelijkertijd wordt ook de wetenschapper uit zijn isolement bevrijd.   

 

Een voorbeeld

 

  Zelf heb ik veel op een fenomenologische manier gewerkt. Dat gebeurde vooral in de tijd dat ik, als psychologisch medewerker binnen een GGZ-instelling, observaties moest doen van kinderen. Eigenlijk klopt het woord observaties niet voor wat ik deed want ik observeerde niet, ik ging het contact aan en registreerde wat ik hierbinnen ervoer. Een voordeel hiervan was dat het kind waarmee ik werkte zich in het algemeen op zijn gemak voelde en daardoor meer van zichzelf liet zien.

  Bij mijn waarnemingen was ik mij bewust van de feiten maar lette ik vooral op wat ik 'fenomenen' noemde, waaronder ik feiten verstond die ik als betekenisvol ervoer. Dat konden heel vluchtige fenomenen zijn, zoals bijvoorbeeld dat een kind niet goed vrij in de ruimte kon staan maar steeds steun zocht ergens aan. Of dat de motoriek weliswaar goed was wat de verrichtingen betrof maar wel een zekere stijfheid vertoonde. Ik bediende mij hierbij van een min of meer vaststaand arsenaal aan opdrachten, maar die hadden bijna allemaal het karakter van spelletjes. Ik vond het ook belangrijk dat zo’n sessie gewoon leuk was.

     Tijdens zo’n sessie maakte ik weinig aantekeningen. Die leidden mij te veel af. Maar achteraf ging ik als het ware de film terugdraaien en wat ik dan zag en aan mijzelf ervoer beschreef en karakteriseerde ik. Vaak zag ik bij dat ‘terugkijken van de film’ trouwens details die mij tijdens de observatie niet waren opgevallen, omdat ik op dat moment mijn aandacht nodig had voor de voortgang van het contact. Soms ging ik bewegingen die ik had gezien nog even voor mezelf nabewegen, om zo van binnen uit te voelen wat er gebeurd was.

     Als het goed ging mondden mijn beschrijvingen uit in een beeld en dat beeld gaf vaak al een richting aan waarin behandeling plaats kon vinden. Het beeld dat het kind dat niet vrij in de ruimte kon staan bij mij opriep was bijvoorbeeld ‘verkleving met de omgeving’ en toen dat in mij opgekomen was ging ik na of andere fenomenen die ik had waargenomen hierbij aansloten. In dit geval bleek dat onder andere het geval met de menstekening die dit kind had gemaakt en waarop de afgebeelde mens een beetje scheef stond. Doordat het beeld werd bevestigd kon het vervolgens aanleiding zijn voor een behandeling die het kind zou helpen meer steun aan zichzelf te ontwikkelen.

     Bij het voorbeeld van de goede maar ietwat stijve motoriek was het beeld dat in mij opkwam ‘behoefte aan houvast’, hetgeen bevestigd werd doordat de menstekening heel precies was en min of meer gebaseerd op geometrische vormen. De behandeling die ik hier logisch uit voort vond vloeien was: in eerste instantie het kind voldoende houvast bieden (bijvoorbeeld door duidelijke en overzichtelijke opdrachten) en vervolgens, wanneer er voldoende veiligheid was ontstaan, een beetje met dat houvast gaan spelen.

     Wat ik probeerde is niet de kinderen onder één noemer te brengen maar juist het bijzondere van het individuele kind te karakteriseren.

     Binnen het multidisciplinaire overleg werden mijn verslagen naast die van anderen gelegd die eveneens met het kind hadden gewerkt of die de ouders hadden gesproken, waarbij de verschillende invalshoeken elkaar vaak aanvulden. Soms echter leken ze elkaar in de weg te staan en dan moest de strategie worden gekozen die het meeste resultaat beloofde. Waarbij nooit kon worden uitgesloten dat de andere strategie ook tot resultaten had kunnen leiden.               

  

De kwantumtheorie

 

  Kritiek op de gangbare wetenschap kwam er ook vanuit de gangbare wetenschap zelf. En dan doel ik vooral op de kwantumtheorie.

  Lang werd binnen de fysica het ondeelbare atoom als de kleinste bouwsteen van de materie beschouwd. Op een gegeven moment echter kon die ondeelbaarheid niet meer worden volgehouden en werden er allerlei werkingen gevonden die met de structuur van het atoom te maken hadden en met het zo genoemde subatomaire gebied, het gebied binnen het atoom. De kwantumtheorie bleek de theorie die het beste bij deze verschijnselen aansloot.

  De bevindingen die op basis van de kwantumtheorie werden gedaan waren zeer ongewoon. Binnen het subatomaire gebied traden heel andere wetmatigheden naar voren dan voorheen bij het materieonderzoek geconstateerd. Vreemd was vooral dat objectiviteit in de zin van een buiten de waarnemer om en van hem onafhankelijke werkelijkheid niet bleek te bestaan. De manier waarop de waarnemer zich op het waargenomene richtte en het soort meetapparatuur die hij daarbij gebruikte bepaalde hier namelijk wat er uiteindelijk werd waargenomen. Richtte de waarnemer zich bijvoorbeeld op deeltjes (stukjes materie), dan constateerde hij deeltjes, richtte hij zich op golfjes (eenheden van energie), dan constateerde hij golfjes.

  Ook de tot dan toe geldende begrippen ten aanzien van ruimte gingen hier niet meer op. Een elektron, een negatief geladen deel van een atoom, was bijvoorbeeld niet aan een bepaalde plaats gebonden. Het kon zowel hier als daar als ergens daartussenin zijn. Wilde je toch via meting vastleggen wat de positie was, dan bleek de meting op die positie invloed te hebben.

  Met de begrippen ten aanzien van tijd was iets dergelijks het geval. Twee fotonen (lichtdeeltjes) die van dezelfde lichtbron afkomstig waren en die in twee verschillende richtingen werden weggeschoten bleven niet alleen op elkaar reageren, ook al bevonden ze zich op een afstand van halverwege de aardeomtrek, ze deden dat met een snelheid groter dan die van het licht, welke tot dan toe als de absolute snelheid was beschouwd. Misschien gebeurde het zelfs wel binnen de gelijktijdigheid.

  Wilde je voorspellingen doen over het gedrag van objecten, dan was het tot dan toe vaak mogelijk geweest hier zeer exact in te zijn. Binnen het subatomaire gebied konden echter alleen statistische voorspellingen worden gedaan, waarbij het om waarschijnlijkheden ging.

  En zo waren er nog veel meer merkwaardigheden. 

  Niet alleen de geldende ideeën ten aanzien van ruimte, tijd en objectiviteit werden door deze ontdekkingen ter discussie gesteld, ook het materie-zijn van de materie. Materie bleek geen vast gegeven, het bleek geschapen te worden door de manier waarop je naar iets keek. Daarmee werd het uitgangspunt van de gangbare wetenschap, dat de wereld uit materie bestond, volledig ondermijnd.

  De meeste fysici lieten zich hierdoor echter niet uit het veld slaan. Ze zagen gewoon af van de filosofische consequenties en gingen ongestoord door met hun metingen en berekeningen, zonder nog te weten wát ze nu zo toegewijd aan het meten en berekenen waren. Ondertussen was er de hoop dat er vroeg of laat praktische toepassingen mogelijk zouden worden, zoals een supersnelle en superslimme kwantumcomputer.

  De geniale fysicus Albert Einstein, wiens ideeën voor de kwantumtheorie de voorwaarden waren geweest, distantieerde zich niettemin van de ongewone uitkomsten. Dat er alleen statistische voorspellingen mogelijk zouden zijn bijvoorbeeld, het kon er bij hem niet in. ‘God dobbelt niet,’ zei hij. Waarop Niels Bohr, zijn discussiepartner, fijntjes opmerkte dat hij God niet de wet moest voorschrijven. Ook dat er geen objectief waarneembare werkelijkheid buiten de waarnemer om bestond paste niet in Einsteins wereldbeeld en hij zocht naar een theoretisch kader waarbinnen de objectiviteit overeind kon blijven. Dat hij ondanks al zijn genialiteit zo’n kader niet gevonden heeft pleit naar mijn idee voor de onontkoombaarheid van de kwantumtheorie.

  Zo vreemd zijn de bevindingen van deze theorie trouwens niet. Dat de positie van een elektron niet te bepalen is en dat je, als je die toch bepalen wilt, op die positie invloed uitoefent, is bijvoorbeeld heel eenvoudig te verklaren wanneer je ervan uitgaat dat beweging voor een elektron iets karakteristieks is. Bij een beweging kun je namelijk nooit bepalen waar het bewegende ding zich op een bepaald moment bevindt, het bewegen als zodanig sluit het hebben van een bepaalde positie uit. Natuurlijk kun je wel die positie op een bepaald moment meten, maar dan haal je het ding uit de beweging, zet je de beweging vast. En dan meet je in feite niet het bewegende ding.

  Ook de bevinding dat de waarnemer invloed heeft op het waargenomene is eenvoudig te onderbouwen. Die sluit namelijk volledig aan bij de alledaagse ervaring, bijvoorbeeld wanneer je wilt nagaan of iemand naar je kijkt. Om dat te kunnen waarnemen moet je zelf naar die persoon kijken, hetgeen op die persoon invloed heeft. Of neem het geval van een bioloog die het gedrag van regenwormen onderzoekt. Hij zal daarvoor toch eerst die regenwormen zichtbaar moeten maken, waarop die zich anders zullen gedragen dan wanneer ze nog onbespied door de aarde kunnen kruipen. Waarschijnlijk hebben ze gewoon last van het licht dat nodig is om ze te zien.

 

Zou ze aan me denken? Ik ga het gewoon vragen.

‘Schat, denk je aan me?’

‘Nu in ieder geval wel.’

 

Een betere wereld

 

    Genoeg redenen om de gangbare, objectieve wetenschap ter discussie te stellen. En om naar een ruimer wetenschappelijk kader te zoeken, waarvan de objectieve wetenschap ook deel kan uitmaken. Zodat er langzamerhand een andere wereld kan ontstaan, een wereld die mogelijk beter bij onze innerlijkheid, onze menselijkheid en onze totaliteit aansluit.

    In de volgende artikelen zal ik hier concreter op ingaan. Maar nu kan ik al wel de ideeën noemen waarop ik mij zal baseren:

-      de wereld als schepping,

-      de Sofia als kennis van het goddelijke,

-      de betrekking tussen de onderzoeker en het onderzochte en

-      de mens als individu.