Autisme als toekomsttendens

 

Lezing uitgesproken bij de uitreiking van het boek “Muzikale ontdekkingen” aan Carolien Visser.

Scorlewald 16-03-07.

 

Beste aanwezigen,

Mijn naam is Hans Lemmens. Ik ben psychologisch medewerker op Queeste, een van de takken aan de Raphaëlstichting-boom. Daarvóór heb ik nog op andere plekken binnen de Raphaëlstichting gewerkt. Ik heb mij veel beziggehouden met autisme en mij is gevraagd om tijdens deze bijzondere bijeenkomst rond Carolien Visser iets over autisme te vertellen. Dat wil ik graag doen.

Maar natuurlijk kun je autisme van allerlei kanten benaderen en om een goede invalshoek te vinden voor deze bijeenkomst ben ik met Carolien gaan praten om af te stemmen. Zij zei tegen mij: vertel iets over het autisme in het algemeen. Dat zal ik dus doen. Maar toen ging het gesprek verder en kwamen we te spreken over autisme als toekomsttendens en dat sloot heel goed aan bij mijn eigen visie. Daarom wil ik vandaag ook iets over autisme en de toekomst vertellen, waarbij ik het verschijnsel in een wat wijdser perspectief zal plaatsen.

Welnu, laten we beginnen bij de “normale” mensen. Ik zal een paar typische kenmerken van normale mensen naar voren halen. Normale mensen gaan verbindingen aan met andere mensen. Ze zoeken elkaar op. Dat neem ik als kenmerk 1. Ten tweede: normale mensen communiceren met andere mensen. Ze brengen informatie of bedoelingen over en vaak gaat dat via de taal. Dan kenmerk 3. Ze hebben gevoelens en doen daar iets mee. Vaak kun je aan hun gezicht aflezen wat ze voelen. Tenslotte kenmerk 4. Ze houden zich aan sociale regels. Als ze bijvoorbeeld bij de koningin op bezoek zijn zullen ze niet gauw een boer laten. Dat zijn vier typische kenmerken van normale mensen.

Maar het kan ook anders. Mensen met autisme doen het anders.

1: verbinding. Ze gaan niet gemakkelijk een verbinding met iemand aan.

2: communicatie. Ze ontwijken vaak de communicatie of communiceren op een aparte manier. Vaak spreken ze niet en als ze dat wel doen lijken hun woorden vaak los van henzelf te staan.

3: gevoel. Ze laten niet veel gevoelsuitingen zien. Al kom je wel veel woede bij hen tegen. Je ziet meestal niet aan hun gezicht wat ze voelen en òf ze wel iets voelen. Ze lijken sterk vanuit hun hoofd te leven. En dan

4: sociale regels. Ze hebben weinig gevoel voor sociale regels. Ze benaderen de wereld sterk vanuit hun eigen perspectief en proberen de wereld naar hun hand te zetten.

Deze punten worden vaak zo samengevat dat gezegd wordt: ze sluiten zich af voor hun omgeving en dat is inderdaad wat je vaak ziet. Maar eigenlijk is dat afsluiten een gevolg. Eigenlijk zijn ze vaak heel erg gevoelig voor hun omgeving, zo gevoelig dat ze zich dit in onze maatschappij niet kunnen veroorloven. Ze sluiten zich af òmdat ze zo gevoelig zijn.

Dat zet ik even neer als een korte schets van het verschijnsel autisme. Nu wil ik graag iets over de geschiedenis van het autisme vertellen en via de geschiedenis kom ik bij de toekomst.

Is er altijd autisme geweest? Het verschijnsel is ontdekt aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, door twee verschillende  psychiaters, onafhankelijk van elkaar. Waarbij het interessante is dat zij zich aan beide zijden van het front bevonden. De Amerikaanse psychiater Leo Kanner beschreef het verschijnsel het eerst: in 1943. In 1944 gebruikte de Oostenrijkse psychiater Hans Asperger hetzelfde woord, “autisme”, met ongeveer dezelfde inhoud, zonder dat hij het werk van Kanner kende. Het feit dat in dezelfde tijd twee onderzoekers onafhankelijk van elkaar hetzelfde verschijnsel beschreven maakt voor mij duidelijk dat het verschijnsel in de lucht hing en dat het een typisch verschijnsel was van die tijd: de Tweede Wereldoorlog. En dat het eerder nog niet bestond. Zeker, de Zwitserse psychiater Eugen Bleuler had het woord al gebruikt in 1911, maar hij gebruikte het voor de in-zichzelf-gekeerdheid van psychotische, schizofrene mensen. Hij zag een ander verschijnsel, zag nog niet dat abstracte dat de autistische mens zoals wij die kennen kenmerkt. Het verschijnsel dat wij de naam autisme geven is, naar mijn overtuiging, geboren in de Tweede Wereldoorlog.

Aanvankelijk leek autisme tamelijk zeldzaam. Maar toen er meer onderzoek naar werd verricht bleek langzamerhand dat het meer wijdverbreid was dan werd gedacht. Was het al wijder verbreid en werd dit alleen maar duidelijk doordat er nu onderzoek naar werd verricht? Misschien. Maar ik denk ook dat autisme gewoon steeds verder om zich heen greep. Wat niet verwonderlijk was, want de tijd zelf werd steeds autistischer. Kijk maar eens naar de computer, die tegelijkertijd met het autisme de wereld begon te veroveren. Met een computer kun je geen betrekking aangaan en hij gaat met jou ook geen betrekking aan. Een computer reageert ook niet op je gevoel en heeft zelf ook geen gevoelsuitingen. Hij doet uitsluitend een beroep op je hoofd. De computer programmeert mensen tot autistisch gedrag. Nu wil ik niet zeggen dat de computer de oorzaak is van deze verbreiding van het autisme, ik zie hem eerder als een symptoom. Het is overigens opvallend hoe goed mensen met autisme zich bij een computer thuisvoelen en de computer kan dan ook een prachtig middel voor hen zijn om te leren of om zich uit te drukken.

Er kwamen niet alleen meer autistische mensen, er werden ook meer vormen van autisme bekend, zodat al gauw niet meer gesproken werd van autisme als zodanig maar van “een stoornis binnen het autistische spectrum”. Die verschillende vormen van autisme werden gezien als verschillende kleuren binnen een spectrum, en aan de rand van dat spectrum verscheen de PDD-NOS. Ik gebruik even de Amerikaanse afkorting. PDD-NOS komt erop neer dat er wel van autisme sprake is maar dat een persoon niet beantwoordt aan alle criteria. Welnu, die categorie PDD-NOS heeft, sinds ze benoemd is, een ware zegetocht gemaakt en momenteel ziet het ernaar uit, als ik af mag gaan op de aanmeldingen bij Queeste, dat er in iedere schoolklas wel twee of drie kinderen zitten met een tendens in deze richting of zelfs met een classificatie. Het zijn kinderen die de wereld sterk benaderen vanuit hun eigen criteria, die de wereld ook sterk benaderen vanuit hun hoofd en die moeite hebben met sociale regels. Eigenwijs zijn ze, en onaangepast. Ondertussen hoor ik steeds vaker normale mensen zeggen dat ze wel iets autistisch’ in zichzelf herkennen.

Was het autisme in 1943 een curiositeit, nu is het langzamerhand een cultuurverschijnsel geworden.

Ik gaf al aan dat de afgeslotenheid van mensen met autisme een gevolg was van hun gevoeligheid. Waarmee heeft die gevoeligheid te maken? Om daar een antwoord op te geven moeten we buiten het gebied treden van de gangbare wetenschap. Het gaat er namelijk om dat bij iemand met een vorm van autisme de ziel wat losser met het lijf is verbonden dan bij een normaal mens. Waarbij ik ervan uit ga dat de mens een samengesteld wezen is: enerzijds lichaam, anderzijds een ziel die dat lichaam als het ware bewoont. Als ik stevig in mijn lijf zit en mijn ziel dus stevig met mijn lijf verbonden is werkt dat lijf als een soort buffer, een afdemper voor de indrukken uit de buitenwereld. Het heeft als het ware een lager trillingsgetal dan de omgeving en filtert de invloeden uit die niet passen binnen mijn lichamelijke welbehagen. Raakt mijn ziel nu losser van mijn lichaam, dan komen die invloeden in volle hevigheid binnen. Maar eigenlijk ben ik nu wel meer verbonden met mijn omgeving. In mijn lichamelijkheid ben ik gebonden aan de grenzen van mijn huid, de ziel is vanuit zichzelf niet aan die grenzen gebonden en komt ze wat losser van de lichamelijkheid dan vloeit ze gemakkelijk uit in de omgeving.  

Zo doet zich het feit voor

1) dat mensen met autisme, die los met hun lichaam verbonden zijn en van wie we gezegd hebben dat ze niet veel verbindingen aangaan, eigenlijk juist heel erg verbonden zijn.

2) En wat de communicatie betreft: ze communiceren niet zo veel, maar dat hoeft ook eigenlijk niet want ze zijn al samen. Hun communiceren krijgt zo minder het karakter van het overbrengen van informatie als wel van het vieren van samenzijn. De lichaamstaal speelt hier een belangrijke rol bij, hoe tegenstrijdig dat ook lijkt ten aanzien van mensen die zo los met hun lichaam verbonden zijn. Het direct overbrengen van intenties speelt hierbij ook een rol. Een heel korte blik van iemand met autisme kan een heel intense zieleninhoud overbrengen. Muziek werkt ook op dit gebied en Carolien Visser geeft er in haar boeken talloze voorbeelden van hoe dit kan werken.

3) Dan wat het voelen betreft: mensen met autisme voelen vaak heel veel, zo veel dat ze hun hoofd hard nodig hebben om dit allemaal onder controle te houden.

4) En wat de sociale regels betreft: daar houden ze inderdaad niet van, maar de sociale regels zijn dan ook vaak willekeurig en oneerlijk en verhullen nogal eens wat er werkelijk tussen mensen gebeurt. Iemand die erg gevoelig is kan daar last van hebben.

Het probleem is niet dat mensen met autisme deze gevoeligheden missen, het probleem is dat ze die meestal niet laten zien. Waardoor ze van buiten een beeld scheppen dat niet met hun innerlijk overeenkomt.   

Tja, en als deze mensen zich niet terugtrekken, dan manifesteren ze zich meestal zo dat wij dit als bepalend, dwingend ervaren.

Eigenlijk heb ik hiermee een schets gegeven van de toekomstmens. Van de mens die je voor je kunt zien als je de tendensen die zich de laatste 100 jaar hebben voorgedaan verder doordenkt. De mens van de toekomst is een mens die zeer gevoelig is en zeer verbonden, die zich uit via lichaamstaal en muziek en die de wereld sterk benadert vanuit zijn eigen individualiteit.

Om dit nog wat toe te spitsen wil ik twee uitspraken aanhalen van Rudolf Steiner.

De eerste uitspraak heeft hij gedaan in het kader van de euritmie, de bewegingskunst die hij heeft ontwikkeld. Hij zei eens dat de euritmie de taal van de toekomst is. Dit lijkt aan te sluiten bij wat ik vertelde over het communiceren van mensen met autisme: via muziek, via intenties, via lichaamstaal. Dit is niet zo vreemd als je kijkt naar wat er in de dans gebeurt. In de dans maakt de ziel zich een beetje los van het lichaam en gaat helemaal op in de muziek, maar vanuit die muziek probeert zij het lichaam opnieuw te doordringen, zodat er een bezielde beweging ontstaat.    

De andere uitspraak van Rudolf Steiner behelst wat hij de “sociologische basiswet” heeft genoemd. Die komt erop neer dat in de geschiedenis van de mensheid aanvankelijk het sociale verband de individuele mensen bepaalt, maar dat langzamerhand de mensen steeds verder individualiseren, waarbij de sociale verbanden ontstaan uit een vrijwillig samengaan van individuën.

Beste aanwezigen, steeds autistischer wordt de wereld. Steeds meer mensen komen losser in hun lijf te zitten, terwijl ze steeds sensitiever worden en steeds individualistischer. Daarom zie ik de toekomstmens als de mens die, nadat hij zich een beetje van zijn lichaam heeft losgemaakt, dit lichaam op een nieuwe wijze doordringt, zoals in de dans. De mens van de toekomst, dat is een individuele, sensitieve mens die danst.

Ik dank u voor uw aandacht.