Populisme

    We leven in een tijd van voortschrijdend populisme. Niet alleen in de media, ook in de politiek wordt zwaar geleund op wat ‘het volk’ wordt genoemd. Politici als Wilders en Trump leggen er voortdurend de nadruk op dat ze zichzelf zien als een spreekbuis voor dit ‘volk’.

    Daarmee treedt in een tijd van steeds maar toenemend individualisme een accent op het wij-gevoel naar voren. Wat ik heel begrijpelijk vind.

    Mijn vraag is echter of hiermee niet voorbij wordt gegaan aan de zin die mogelijk in deze individualisering besloten ligt. Die zin lijkt mij dat de mens als het ware volwassen wordt. Dat hij niet meer hoeft te steunen op meningen van anderen maar dat hij zijn eigen leven kan leiden en zijn eigen lijnen kan uitzetten. Op een bepaalde manier is dat een pijnlijk proces, het kan een gevoel van afgescheidenheid met zich meebrengen. Was dit het eindpunt, dan zouden we hier moeilijk iets positiefs in kunnen zien. Echter, door die afgescheidenheid heen kan de mens op een gegeven moment ontdekken dat hij zelfstandig ten uitvoer kan brengen wat hij in zich heeft. En dat hij zo een unieke, door niemand anders te vervangen bijdrage aan de maatschappij kan leveren. Door de zure appel van de afgescheidenheid heen bijtend kan hij merken dat hij op een vrije, creatieve, ja liefdevolle manier het verloren contact terug kan vinden. En misschien is dat wel winst.

    Het principe waar het hier om gaat is aan het begin van de twintigste eeuw onder woorden gebracht door de grondlegger van de antroposofie, Rudolf Steiner. Hij bespeurde een wetmatigheid op dit gebied, die hij ‘de sociologische basiswet’ heeft genoemd. In het begin van haar ontwikkeling baseerde de mensheid zich sterk op het wij-gevoel, geeft Steiner aan. De groep stond centraal en individuele impulsen werden daaraan opgeofferd. In de verdere loop van de ontwikkeling echter deed steeds meer de individualiteit zich gelden, waardoor het wij-gevoel in zekere zin werd aangetast. Maar als deze ontwikkeling nog verder voortschrijdt wordt een nieuwe vorm van sociaal-zijn mogelijk, die juist op die individualiteit is gebaseerd. Het nieuwe sociale bestaat in een contact dat individuën in vrijheid met elkaar aan kunnen gaan. En waarbij niet zo zeer het steunende op de voorgrond staat als wel het scheppende. Steun heeft de mens dan niet meer nodig, die beleeft hij aan zichzelf.

    Is dit een wetmatigheid? Kijken we naar de geschiedenis, dan lijkt Steiner gelijk te krijgen. Inderdaad lijkt het groepsgevoel lange tijd op de voorgrond te hebben gestaan en verscheen de individualiteit pas relatief laat binnen de ontwikkeling van de mensheid. Duidelijke tekenen hiervan zag je eigenlijk pas in de cultuur van de Griekse Oudheid, en daarna weer vanaf de Renaissance. In de tijd van de Renaissance werd ook duidelijk hoe de individualiteit en het wij-gevoel in conflict kunnen raken, bijvoorbeeld in het geval van Galilei, die naar voren bracht dat de zon niet om de aarde draait maar de aarde om de zon. Hij werd door de Kerk veroordeeld. Niettemin is er heden ten dage zo goed als niemand meer die twijfelt aan zijn gelijk.

    In onze tijd lijkt het hoogtepunt van de individualisering bereikt. Vrouwen zijn assertief geworden, zelfs moeders komen op voor zichzelf en iedereen lijkt welbewust zijn eigen belang na te jagen, met voorbijgaan aan de gemeenschappelijkheid. Heel veel gemeenschappelijks wordt in deze tijd afgebroken. ’Ikke ikke en de rest kan stikke’ lijkt het devies. Negativisme en vandalisme behoren tot de gevolgen.

    Ondertussen echter doen de eerste kiemen van nieuwe sociale gehelen zich al voor. Ik denk bijvoorbeeld aan de manier waarop Google met zijn personeel omgaat. Dat personeel wordt zo weinig mogelijk onder druk gezet, uitgaande van de gedachte dat iemand de beste bijdrage levert aan het geheel als hij het doet vanuit zijn innerlijke impuls, in vrijheid. Creativiteit staat bij Google hoog in het vaandel. Een andere tendens lijkt mij de ontdekking dat niet ieder kind leert op dezelfde manier, waarbij hier en daar al ruimte wordt gemaakt voor individuele leerwegen.

    Volgens mij is de individualisering niet meer terug te draaien. Zelfs populistische leiders laten er tekenen van zien. Die zijn nogal eens behoorlijk eigengereid, waarbij ik me soms afvraag of hun toewending naar wat zij het volk noemen niet een poging is het eigen machtsgevoel te versterken. Nadruk op het wij-gevoel lijkt mij dan ook niet meer zo vruchtbaar in deze tijd en kan, omdat het voorbijgaat aan wat de tijd vraagt, destructieve tendensen in zich bergen. Hetgeen inderdaad hier en daar tot uiting komt. Tja, de appel van de individualiteit is zuur. Maar de smaak went, is mijn ervaring. En eenmaal in de buik, ja, dan kan zo’n appel een aangename en weldadige werking uitoefenen.