Het ethische vraagstuk

 

Regelmatig verschijnen er artikelen in de kranten die handelen over het ethische vraagstuk. Dit vraagstuk is actueel geworden rond mogelijkheden die er vanuit de moderne wetenschap bestaan op gebieden als abortus, euthanasie, genetische manipulatie en het gebruik van embryo’s. Naar mijn idee zijn de visies die tot nu toe ten aanzien van het ethische geopperd zijn weinig vruchtbaar en ik denk dat ik weet waarom. Daarom wil ik mij mengen in de ethische discussie en ik doe dat met een invalshoek die tot nu toe weinig ruimte heeft gekregen.

Deze invalshoek wil ik onderbouwen door mij met u te bezinnen op een stukje geschiedenis.

Het is 1939. Binnen het atoomonderzoek wordt ontdekt dat uraniumkernen gespleten kunnen worden in twee vergelijkbare delen en al snel zijn de militaire implicaties hiervan duidelijk. Op grond van dit gegeven kan een atoombom worden gemaakt. In Amerika werkende fysici verwachten dat de Duitsers van deze mogelijkheid gebruik zullen maken en vinden het noodzakelijk dat er aan een Amerikaanse atoombom wordt gewerkt. Albert Einstein, de beroemdste fysicus van die tijd, wordt hun spreekbuis. Hij dicteert een brief aan president Roosevelt waarin hij dit standpunt onder diens aandacht brengt.

Einstein had met zijn formule E=mc² de grondslag gelegd voor de mogelijkheid een atoombom te ontwikkelen. Nu legt zijn brief aan president Roosevelt de grondslag voor de werkelijke atoombom, want president Roosevelt gaat op zijn aanmaning in en in wedloop met de Duitsers, zo wordt gedacht, wordt binnen een paar jaar inderdaad een atoombom gerealiseerd. Wat later blijkt dat het idee van een atoombom helemaal niet bij de Duitsers is opgekomen.

De atoombom wordt vervolgens niet tegen de Duitsers gebruikt, maar tegen de Japanners. Op 6  augustus 1945, als de oorlog met Duitsland al een paar maanden voorbij is, wordt vanuit een Amerikaans vliegtuig een atoombom op Hiroshima geworpen. Drie dagen later volgt Nagasaki.

Einstein is geschokt. Vanaf nu gaat hij zich inzetten voor een betere verhouding tussen de volkeren en voor een organisatie die dit soort rampen in de toekomst moet voorkomen. Hij denkt daarbij aan een wereldregering. In dit soort zaken heeft Einstein een uitgesproken ethische instelling.

De natuurwetenschap echter, die tot deze bommen geleid heeft, ziet Einstein als iets wat principiëel buiten het ethische staat. Volgens hem gaat het er in de natuurwetenschap om de wetten te begrijpen waaraan de natuur objectief, buiten iedere menselijke invloed om, beantwoordt. Ethiek komt bij hem pas aan de orde als vervolgens de gevonden wetten tot praktische resultaten leiden.

Zoals blijkt uit het gebeuren in Hiroshima en Nagasaki is dat te laat.

Einstein gelooft niet in een wisselwerking tussen de onderzoeker en zijn onderwerp, en het is daardoor dat er binnen zijn wetenschapsbeoefening geen plaats kan zijn voor ethiek. Ethiek kan alleen ontstaan op basis van een betrekking. De logische conclusie uit de kwantumfysica, dat de onderzoeker door zijn eigen houding mede bepaalt wat hij waarneemt, die conclusie heeft hij nooit geaccepteerd. Zijn ethiek, die achteraf aan de resultaten van de wetenschap moet worden toegevoegd of die van buiten af aan het handelen wordt opgelegd, heeft dan ook weinig teweeggebracht binnen de wereldpolitiek.

Nog steeds wordt binnen de ethische discussie voornamelijk ‘op zijn Einsteins’ gedacht en daarom zijn de meeste ethische uiteenzettingen zo oeverloos en doen de argumenten zo willekeurig aan. Natuurlijk, je kunt bestuderen  wat grote geesten in het verleden over ethiek hebben geschreven en daar kun je je conclusies uit trekken. Zeker, je kunt humanistisch denken en nagaan wat voor ethische uitgangspunten voort kunnen komen uit menselijk overleg en menselijke redelijkheid. Maar als ondertussen de wetenschap uit principe ethiekloos blijft, omdat ze gebaseerd is op het ontkennen van de betrekking die tussen de wetenschapper en zijn onderwerp bestaat, blijft deze wetenschap de wereld overspoelen met producten die buiten iedere ethische orde staan en die ethisch handelen in feite juist bemoeilijken. De atoombom is daar een van de pijnlijkste voorbeelden van, maar gedacht kan ook worden aan iets als de enorme stroom van chemische producten die het milieu vergiftigt.

Wij hebben een andere vorm van wetenschap nodig, een die de consequenties trekt uit de bevindingen van de kwantumfysica en die de betrekking tussen de onderzoeker en zijn onderwerp erkent. Voorzichtige pogingen hiertoe worden gelukkig al ondernomen. Het zal even wennen zijn aan zo'n nieuwe wetenschap, maar alleen op die manier zullen er producten ontstaan waarin het ethische al is verdisconteerd en die dus bijvoorbeeld de aarde respecteren. Alleen op deze basis lijkt mij een zinvol gesprek over ethiek mogelijk.

Ethiek is niet vruchtbaar als zij van buiten af aan het handelen wordt toegevoegd. Zij werkt dan als dwang en vroeg of laat verkeert deze dwang in zijn tegendeel, losbandigheid. Ethiek is pas vruchtbaar als zij binnen het handelen zelf besloten ligt.