Hooggevoeligheid als cultuurimpuls

In mijn eerste boek, Het elastiek tussen lichaam en ziel, heb ik de mens beschreven als een wezen bij wie tussen lichaam en ziel een soort elastiek bestaat, dat uit kan rekken en kan samentrekken.

Dat rekken en samentrekken kan wisselen op grond van de situatie waarin iemand zich bevindt. Maakt iemand een traumatische ervaring door, dan zal zijn ziel afstand van zijn lichaam nemen en zal het elastiek flink uitrekken. Wordt iemand liefdevol omarmd, dan is de kans groot dat zijn ziel zich met zijn lichaam verbindt en het lichaam doordringt. En dan zit er nauwelijks nog rek in het elastiek.

Het rekken en samentrekken kan ook wisselen op grond van aanleg. Iemand kan geboren worden met als aanleg een bepaalde zwaarte, een bepaalde traagheid, een  traagheid in het denken ook. Dan lijkt zijn ziel in zijn lichaam gevangen. Iemand kan ook geboren worden met als aanleg een zekere lichtheid, een sterke sensitiviteit, een grote openheid voor zijn omgeving. Dan zit zijn ziel een beetje los. We noemen zo iemand hooggevoelig of hoogsensitief.

In mijn tweede boek, Hoe mensen lichaam zijn, beschrijf ik hoe rond het jaar 1900 de westerse mensheid als geheel in een fase van hooggevoeligheid kwam. Dat zie je bijvoorbeeld aan de schilderkunst van die tijd, die geen afbeelding meer wil zijn van de materiële werkelijkheid maar eerder een  sfeerindruk van deze werkelijkheid geeft (impressionisme) of innerlijke beelden laat zien (expressionisme). Ook binnen andere kunstvormen en zelfs binnen de wetenschap (kwantumfysica) wordt in het begin van de twintigste eeuw het materiële verlaten.

Na 1925 lijken de nieuwe impulsen echter vast te lopen en wordt de cultuur decadent. Later, in de zestiger jaren, ontstaat een spiritueel gerichte impuls, maar die wordt niet praktisch in de zin dat ze leidt tot een nieuwe wetenschap. Zodat we met al onze spiritualiteit toch in een wereld blijven leven die door de materialistische wetenschap bepaald wordt.

Nog steeds zit de westerse mensheid in die hooggevoelige fase en die zal, denk ik, ook nog wel even duren. En nog steeds beleven wij de impasse van een cultuur die bepaald wordt door een wetenschap die de tekenen van de tijd niet verstaat en die ondertussen geen oplossingen weet voor de problemen die zij zelf geschapen heeft (vergiftiging van de aarde, atoomkracht). Wij hebben een nieuwe cultuurimpuls nodig, maar waar kan die vandaan komen?

Van de hooggevoeligen. Zij ervaren aan den lijve wat voor kwaliteiten het kan hebben als je ziel een beetje los zit. Verbinding, sensitiviteit, individu-zijn, intuïtief denken, eerlijkheid, spiritueel inzicht. Allemaal kwaliteiten die onze cultuur hard nodig heeft.

Maar die hooggevoeligen moeten wel, zij het op een nieuwe manier, hun lichamelijkheid weer doordringen. En hun kwaliteiten moeten praktisch worden.

Verbinding kan leiden tot een wetenschap die met de natuur mee werkt in plaats van de natuur slechts te gebruiken en die zo een technologie kan ontwikkelen waarbinnen niet gewerkt wordt met dode materie maar met levende wezens.

Bijvoorbeeld met bacterieculturen die radensnel zuurstof omzetten in vaste stof en die zo in de poreuze wand van een voertuig een vacuum kunnen laten ontstaan, dat voortbeweging mogelijk maakt. Dat voertuig kan dan worden bestuurd door menselijke intentie, want die heeft op levende natuur meer invloed dan op dode.

Een ander voorbeeld is de implosiemotor, die werkt met waterkracht en kolkingen. Een electromotor brengt die kolking op gang, maar vervolgens laat het water puur vanuit zichzelf een energietoename zien van 90%. Terwijl de kwaliteit van het water na het draaien van de motor niet is afgenomen maar juist verbeterd. Tot zulke oplossingen kunnen mensen komen als ze meedenken met de natuur in plaats van ertegen in. (Zie www.implosie.nl)

Veel van deze nieuwe wetenschap is nu nog een droom. Maar begint niet alles wat nieuw is met dromen?