De vrouw, de man, de schepping

 

    Hoe staat het momenteel met de man-vrouw-relatie? En met de relatie tussen het mannelijke en het vrouwelijke binnen de mens? En wat heeft dat met scheppen te maken?

 

Het scheppingsverhaal van Johannes

 

    Een goede basis om het thema mannelijk-vrouwelijk uit te werken lijkt mij de zin waarmee het evangelie van Johannes begint.

 

In het begin was het woord.

 

    In het Grieks, de taal waarin dit evangelie geschreven is, staat er:

 

En archei ehn ho logos.

 

    ‘Archei’ is een verbuiging van ‘archeh’, een vrouwelijk woord. Behalve ‘begin’ kan het ook ‘oorsprong’ of ‘oersituatie’ betekenen. Het woord ‘logos’ is mannelijk. Het kan zowel ‘woord’ als ‘logica’ als ‘betekenis’ als ‘zin’ als ‘reden’ betekenen.

    Op grond hiervan kan de inhoud van de eerste zin als volgt worden weergegeven:

 

Er was een vrouwelijke oertoestand en er was een mannelijk woord dat hieraan betekenis gaf. Zo voltrok zich de schepping.

 

    In dit kader wordt het vrouwelijke gezien als de mogelijkheid en het mannelijke als de invulling of concretisering van die mogelijkheid. Zo bezien berust het scheppen op een samengaan van het mannelijke en het vrouwelijke.  

 

    De logos, het mannelijke scheppingswoord, is te specificeren als ‘Ik-ben’.

    Doordat God het Ik-ben-woord uitsprak werd hij zich bewust van zichzelf, en daardoor ontstond hij ook pas. Tegelijkertijd kwam er nu een onderscheid tussen hemzelf, als spreker, en het uitgesproken woord. Het uitgesproken woord werd de basis voor de schepping.

    Zo schiep God tegelijkertijd zichzelf en de wereld. En schiep hij de wereld als een beeld van hemzelf.

    Wat hierbij aansluit is een passage uit de Joodse bijbel (Exodus 3; 1-14). Daarin wordt beschreven hoe Mozes Jahweh ontmoet in een brandende braamstruik. Jahweh vraagt Mozes de Israelieten weg te voeren uit Egypte, waar ze als slaven worden vastgehouden. Als Mozes dan aan Jahweh vraagt hoe hij hem kan noemen wanneer de Israelieten vragen naar zijn naam zegt Jahweh: ‘Ik ben de Ik-ben. Zeg maar tegen de Israelieten dat Ik-ben je heeft gezonden.’ 

 

    Misschien wat moeilijk te vatten gedachten.

    Maar het is ook wel begrijpelijk dat gedachten moeilijk te vatten zijn als het gaat om zoiets als de schepping, het ontstaan van het iets vanuit het niets. Deze gedachten zijn een poging om het raadsel van de schepping min of meer hanteerbaar te maken.

    Gelukkig zijn er alledaagse verschijnselen die hierbij aansluiten en die dit beleefbaar kunnen maken.

    Neem bijvoorbeeld het menselijke scheppingsproces. Stel je een dichter voor die voor een leeg vel papier zit. Hij heeft een onbestemd gevoel en daar wil hij iets mee. Hij wil het concretiseren door een tekst. En ja, daar verschijnen er al woorden op het papier, hij schrijft ze op vanuit een roes, en als hij klaar is leest hij ze. Goh, kan hij dan denken, ik wist niet dat ik dat in me had. Hij heeft iets geschapen dat uit hemzelf voortkwam maar dat nog niet bestond voordat hij het opgeschreven had. En hij is hier verwonderd over.

    Een ander voorbeeld is te vinden in de ontwikkeling van de baby. Aanvankelijk is de baby zich nog helemaal niet bewust van zijn omgeving en evenmin van zichzelf. Hij gaat op in die omgeving, er is nog geen onderscheid tussen die omgeving en hemzelf. In die zin bestaat er voor hem nog geen wereld en bestaat er voor hem nog geen ik.

    Maar zijn bewustzijn van zijn omgeving, en tegelijkertijd dat van hemzelf, neemt toe. Hij gaat wijzen naar dingen, hij gaat ernaar toe kruipen, ernaar toe lopen, hij gaat dingen benoemen. En als kroon op deze ontwikkeling gaat hij, meestal rond de tijd dat hij twee en een half is, ‘ik’ zeggen. Hij benoemt zichzelf nu niet meer met de naam die iedereen voor hem gebruikt en bekijkt zichzelf dus niet meer van buiten af, hij benoemt zichzelf voor het eerst van binnen uit. Hij zegt bijvoorbeeld niet meer: ‘Robbie ijsje’, maar: ‘Ikke ijsje.’ Dit is een belangrijke mijlpaal op de weg naar zelfbewustzijn. En terwijl dit prille zelfbewustzijn ontstaat ontstaat tevens een bewustzijn van de wereld. Er is een onderscheid gekomen tussen het ik en het andere.

    Ook de ontwikkeling van de baby laat dus een duidelijke parallel te zien met de schepping van de wereld.

    En wat dat mannelijke en vrouwelijke betreft: de rolverdeling die in die eerste zin van het Johannesevangelie tussen het vrouwelijke en het mannelijke wordt aangegeven lijkt mij op grond van concrete verschijnselen aannemelijk te maken. In de vrouwelijke gestalte ligt immers de nadruk op het ontvangende en in de mannelijke op het gevende, het impuls biedende. Als die impuls geboden en ontvangen is kan in de baarmoeder een kind ontstaan. Ook hier ontstaat iets wat voorheen nog niet bestond en ook hier is sprake van een schepping. De baarmoeder als een ‘archeh’ te zien, als een mogelijkheid die tot verwerkelijking komt wanneer er een impuls (een ‘logos’) wordt geboden, het lijkt mij niet vergezocht.

 

Een mysterie

 

    Mijn beeld van de schepping is het volgende.

    Eerst was er nog niets.

    Er was dus ook nog geen god en er waren nog geen goden. En er was al helemaal geen materie.

    Toen, op een bepaald moment, klonk er een woord. En dat woord klonk in een soort oersubstantie, die aan de materiële substantie voorafging. ‘Ik ben’ zei God, en door dat woord ontstond hij ook pas. Tegelijkertijd ontstond door dat woord de wereld.

    De sprekende God werd zo de schepper. Het uitgesproken woord werd de basis van de schepping.

    Hoe kan dat, dat God vanuit het niets opeens zijn bestaan uitsprak?

    Tja. Daar kunnen wij niet bij komen met gedachten. Dat is een mysterie. Hier moeten gedachten even stilhouden.

    Maar wij kunnen dit wel beleven. We beleven dit als wij zelf scheppend worden.

    Wij zijn door God geschapen. Wij zijn echter niet puur schepsels, God heeft ons iets ingeschapen waardoor wij kunnen zijn als hij. Hij heeft ons geschapen naar zijn beeld.

    Wij zijn als hij wanneer wij scheppen.

 

Wij scheppers?

 

    Wat moet er dan nog geschapen worden? De wereld is er toch al.

    Ja, de wereld is er al. Maar de wereld is geen definitief gegeven. De wereld ontwikkelt zich voortdurend en op de richting waarin zij zich ontwikkelt kunnen wij veel invloed hebben.

    Wij hebben die invloed al ruimschoots doen gelden. De wereld zoals wij die dagelijks meemaken, met haar wolkenkrabbers, jumbojets, computers, verstopte snelwegen, alles overheersende economie, milieuproblemen en atoomdreiging, die hebben wij zelf geschapen. Die is zo geworden doordat wij zo dachten.

    Wij dachten in levenloze dingen, in objecten, in dingen die buiten ons staan. Nu is de wereld er vol van, zo vol dat er voor een gezonde ontwikkeling nauwelijks nog ruimte is. Onze wereld is ziek en die ziekte kan een dodelijke zijn.

    Maar goed, we moesten het nog leren. We moesten ervaring opdoen met het scheppen, we moesten nog oefenen.

    Willen wij echter een wereld scheppen die overeenkomt met onze menselijke waardigheid, waarin wij ons innerlijk terug kunnen vinden en waarin liefde geen loze kreet is, dan moeten we een ander uitgangspunt kiezen. Dan moeten we de dingen, planten, dieren en mensen om ons heen gaan ervaren als intiem met ons verbonden. En moeten we ons lichaam gaan ervaren als een tempel.

    Wij hebben ons tegen de wereld moeten afzetten om onze eigen individualiteit te kunnen vinden. Want het is een wetmatigheid dat individualiteit begint met nee zeggen, dat zie je ook terug bij het driejarige kind, dat net het eigen ik heeft ontdekt. Maar nu die individualiteit zich begint te vestigen lijkt de tijd rijp voor scheppingen waarin onze verbondenheid met de wereld, onze liefde, door kan stralen. Met als formule: hoe meer liefde je voor iets op kunt brengen, des te dieper kan je kennis zijn.  

    Wat willen wij scheppen? Dat lijkt mij de hamvraag voor de huidige mensheid.

    Door uitsluitend verstandelijke kennis na te streven heeft de gangbare wetenschap de kennis geabstraheerd. Zij die ‘Sofia’ werd genoemd, ‘Wijsheid’, die al tijdens de schepping de partner was van God, zij is in het abstracte getrokken. Zij is als het ware door de computer gehaald.

    Dat heeft ook zijn weerslag gehad op onze man-vrouw-relaties. De man greep de macht en de vrouw werd een gebruiksvoorwerp, zoals de aarde een gebruiksvoorwerp werd. Het leidde tot een collectief trauma, waar momenteel alle vrouwen aan lijden.  

    En daardoor lijden alle mannen evenzeer.