Eva, de appel en de gevolgen

 

Het paradijs

 

    Mensen met een gnostische inslag vinden dat Eva in het paradijs een grote fout heeft gemaakt. Ze had nooit van de appel mogen eten. Door van de appel te eten werd ze namelijk een lichamelijk wezen en mensen met een gnostische visie hebben niet veel op met het lichaam, het gaat hun om de geest. Het lichaam zou er eigenlijk niet moeten zijn, is hun idee. Het zit de geest alleen maar in de weg.

    Hun weerstand geldt niet alleen de appel. Wat hun betreft was de hele schepping een vergissing en had die nooit plaats moeten vinden, aangezien de schepping in hun ogen een afdaling was uit geestelijke hoogten naar een materiële, lichamelijke manier van bestaan. Volgens hen zijn wij al tijdens de schepping aan de geest ontrukt en zij kunnen dan ook niet aannemen dat God de wereld zelf geschapen heeft. Als de schepper zien zij een ondergeschikte, een soort opperbouwmeester, die ze ‘Demiurg’ noemen. Waarom die opperbouwmeester van God toestemming heeft gekregen blijft daarbij in nevelen gehuld. Na de schepping zou de scheiding van man en vrouw vervolgens een nieuwe stap van de geest vandaan zijn geweest. En het eten van de appel weer een nieuwe, waarbij de brave Adam door Eva werd meegesleept. Had het aan hem gelegen, dan had hij de geestelijke hoogten nooit verlaten.

    Als Eva de appel niet gegeten had, zo denken gnostici, dan waren wij nog steeds met God verbonden geweest, waren wij nog voortdurend vreugdevol met hem verenigd.

    Ik kan mij die gedachten voorstellen en het ligt ook min of meer voor de hand zo te denken. Toch klopt die manier van denken niet.

    Want waren we met God verbonden gebleven, dan zouden wij ons hiervan helemaal niet bewust zijn geweest. Een vanzelfsprekende verbondenheid die nooit anders is geweest en die nooit verbroken wordt, die wordt niet als zodanig bewust en is dus ook niet beleefbaar. Wat de inhoud zou zijn geweest van een onbewust en onbeleefbaar met-God-verbonden-zijn, ik heb er geen idee van, maar vreugdevol kan zoiets niet zijn.

 

Vrij geschonken liefde

 

    Zeker, de daad van Eva bracht een dramatische wending. Door de lichamelijkheid die nu ontstond kreeg de mens immers de vrijheid zich van God af te wenden. Want God is geest en als zodanig heeft hij geen toegang tot lichamelijkheid. Dat bleek wel toen na het eten van de appel Adam en Eva zich voor God verstopten. ‘Waar zijn jullie?’ riep God. Hij kon ze niet vinden. Pas doordat Adam op die vraag een antwoord gaf kon God weer met hen in contact komen.  

    Maar Eva’s daad had ook een positief gevolg en dat was niet gering. Nu de mens de vrijheid kreeg zich van God af te wenden, werd de toewending tot God namelijk een daad van liefde. De liefde werd geboren!

    Niet alleen de lichamelijkheid en het bewustzijn ontstonden door het eten van de appel, ook de vrijheid ontstond en de liefde. En als ik de vraag moet beantwoorden wat er hoger is, vrij geschonken liefde of vanzelfsprekende verbondenheid, dan is er voor mij slechts één antwoord mogelijk. Vrij geschonken liefde lijkt mij toch echt een flinke stap vooruit.

    Ik voor mij, ik ben blij met Eva’s daad.

 

Geest en materie

 

    Ook wat de geest betreft die vóór de schepping zou hebben bestaan is de visie van de gnostici geen reële. Daar kun je gewoon achter komen door logisch na te denken. 

    Geest kan zonder materie helemaal niet bestaan. Geest en materie vormen namelijk een polariteit, zoals ook licht en donker, hoog en laag en mannelijk en vrouwelijk polariteiten vormen. Een polariteit is een tegenstelling tussen twee elementen die elkaar aanvullen en die elkaar veronderstellen. Als er licht bestaat, dan moet er ook donker bestaan. Je kunt je helemaal geen licht voorstellen als je geen voorstelling van het donker hebt. Hetzelfde geldt voor die andere polariteiten. Voordat de door de gnostici zo versmade schepping plaatsvond bestond er dus nog helemaal geen geest. Die ontstond pas toen God zijn eerste scheppingsdaad verrichtte: het scheppen van een hemel en een aarde. De hemel stond daarbij voor het geestelijke. De aarde stond voor het materiële.

    Wij zijn niet aan de geest ontrukt door de schepping. Dat de geest vóór de schepping zou hebben bestaan is een illusie. De geest ontstond pas door de schepping, tegelijkertijd met de materie, en heeft los van de materie geen enkele betekenis.

 

Ik ben

 

    Het was trouwens ook geen opperbouwmeester die de wereld schiep maar God zelf. Want God zou zonder de schepping helemaal niet hebben bestaan. Tenminste niet volgens het Johannesevangelie.

    Het Johannesevangelie beschrijft de schepping aldus:

 

In oorsprong was er het woord

en het woord was tot God

en God was het woord.

Dit was er in oorsprong tot God.

Alles werd via dit.

(Johannes; 1-3)

 

    Wat hier beschreven wordt is dat de schepping bestond in het uitspreken van een woord. Dit woord, dat zelf God was, was tot God gericht.

    Wat kan dat voor woord zijn geweest?

    Als God tot zichzelf sprak en iets uitsprak dat hij zelf was, dan moet hij ‘Ik ben’ hebben gezegd.

    En doordat God dit Ik-ben-woord uitsprak, daardoor bestond hij ook pas.         

    Zo kwam er een onderscheid tussen de sprekende God en het uitgesproken woord. De sprekende God werd de schepper en het uitgesproken woord werd iets dat buiten hem kwam te staan en waaraan hij zich kon spiegelen. Waaraan hij zich bewust kon worden van zichzelf. Die spiegeling van God, of ook wel zijn beeld, het werd de kiem van de wereld.

    Zo schiep God tegelijkertijd zichzelf en de wereld. Hij schiep de wereld als zijn beeld.

 

    Dit zijn lastig te denken zaken en ik vind het niet gemakkelijk hier duidelijke voorstellingen bij te vormen. Wat ook wel logisch is, aangezien het hier gaat om het ontstaan van het iets uit het niets. Onze voorstellingen en woorden zijn in principe gebaseerd op de wereld zoals zij is, niet op hoe zij ontstond. Misschien is het dus niet overbodig een tweede poging te doen en de schepping nog eens met andere woorden te beschrijven.

 

    Eerst was er nog niets.

    Het was een toestand die niet te beschrijven is. En eigenlijk was het dus ook geen toestand.

    Alleen door ontkenningen is hierover misschien iets duidelijk te maken.

    Er was nog geen wereld en er waren nog geen dingen. Maar er was ook nog geen God.

    Toen, op een moment dat alleen maar hoogst mysterieus kan worden genoemd, sprak God opeens uit dat hij bestond. En daardoor bestond hij ook pas.

    God sprak zichzelf uit en zo ontstonden tegelijkertijd God, de taal, de tijd en de wereld.

    ‘Ik ben,’ moet hij hebben gezegd. Geheel in overeenstemming met wat hij uitsprak toen Mozes hem vroeg naar zijn naam.  

    ‘Zeg maar tegen de Israelieten dat Ik-ben je gezonden heeft.’ (Exodus 3; 14)

 

 

De scheiding van de geslachten

 

    De gnostici storen zich aan de schepping. Zij storen zich aan de daad van Eva. En zij storen zich aan de scheiding van de geslachten, waardoor Eva ontstond. De vrouw had niet moeten zijn ontstaan, de man had alleen moeten blijven, vinden zij. Maar ook hun visie op de scheiding van de geslachten is geen houdbare.

    In het scheppingsverhaal uit de Hebreeuwse bijbel vormt Jahweh uit vochtige aardestof een mens. Als gezelschap voor die mens vormt Jahweh uit de aardbodem de dieren, maar de mens beleeft aan hen geen hulp die werkelijk bij hem past. Daarom brengt Jahweh de mens in slaap, waarna hij een kant van hem losmaakt en tot een vrouw vormt. Als hij de vrouw naar de mens toe brengt blijkt die zeer tevreden en zegt: ‘Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees. Deze zal mannin heten, omdat zij uit de man genomen is.’

    Eerst wordt dus verteld dat de vrouw uit de mens genomen wordt. Vervolgens wordt verteld dat ze uit de man genomen is. Mens en man worden in één lijn genoemd.

    Maar de vrouw kán helemaal niet uit de man genomen zijn, omdat, zoals we al zagen, man en vrouw een polariteit vormen. De man is dus helemaal niet mogelijk zonder de vrouw en vóór de scheiding van de geslachten kan er dus nog geen man hebben bestaan. De enige mogelijkheid is dat de vrouw uit de mens genomen is, de mens die nog ongeslachtelijk was, en dat door deze ingreep ook de man pas ontstond. Voor mij wordt dan ook het beeld pas helder. Dat de Hebreeuwse bijbel het anders doet voorkomen getuigt van een duidelijke vooringenomenheid ten aanzien van het man-vrouw-thema. Tegen iedere logica in krijgt de man een voorrangspositie toebedeeld en moet de vrouw genoegen nemen met een tweede plaats. Wat een legitimatie heeft geboden voor vele eeuwen van vrouwenonderdrukking.

    En ja, waren de geslachten niet gescheiden, dan zou de ongeslachtelijke mens misschien dichter bij het goddelijke gebleven zijn. Maar dan was niet de vurige drang naar hereniging ontstaan die mannen en vrouwen ertoe drijft hun verschillen te overbruggen en weer een te worden. Wat een waarlijk religieus streven is. Overeenkomstig wat ik eerder over Eva en de liefde heb geschreven moet ik ook hier stellen dat het overbruggen van de tweeheid, met liefde als drijfveer, een hogere waarde vertegenwoordigt dan een nooit gescheiden eenheid.

    Zo bezien was de scheiding van de geslachten dus in feite pure winst.

 

Kan God zonder ons bestaan?

 

    Eerst was er nog niets, gaf ik al aan. Er was nog geen wereld, er waren nog geen dingen en er was nog geen God. Toen sprak God het Ik-ben-woord uit, waarmee hij iets uitte dat tegenover hem kwam te staan. Aan dat tegenover werd hij zich bewust van zichzelf, en daardoor bestond hij ook pas. Wat uit hem getreden was werd de kiem van de wereld, de wereld die een beeld was van God. Alles is door dit Ik-ben-woord ontstaan.

    In die zin is God te vergelijken met een kunstenaar, die eerst alleen een vaag gevoel heeft van wat hij wil scheppen, die pas tot helderheid komt door het scheppen zelf en die, als hij het resultaat bekijkt, er verwonderd over kan zijn dat hij dit in zich had. En die zo iets leert over zichzelf.   

    Gods schepping voltrok zich in polariteiten. Het begon met hemel (boven) en aarde (beneden), ging door met licht en donker, ging verder met het scheiden van wateren boven het uitspansel en wateren eronder, ging verder met het scheiden van zee (vochtig) en land (droog), ging verder met een licht voor de dag en een licht voor de nacht, ging verder met zeedieren en vliegende dieren, ging verder met wilde dieren en vee (en kruipende dieren) en kwam uiteindelijk tot de kroon van zijn schepping, de mens, van wie uitdrukkelijk wordt aangegeven dat hij geschapen werd naar Gods beeld. 

    Als God nog niet bestond voordat hij iets geschapen had, als hij pas ging bestaan door het scheppen van de wereld, die zijn spiegel was, dan kun je in de mens, van wie uitdrukkelijk wordt vermeld dat hij een beeld was van God, toch wel de ultieme spiegel zien. Welnu, God spiegelde zich in de mens, vooral door de mens werd hij zich bewust van zichzelf en door de mens bestond hij ook pas. God was dus op de mens aangewezen. En als de mens diens bestaan ontkende hield dat bestaan gewoon op.          

    Als je je niet bewust bent van jezelf is er niets waaraan duidelijk wordt dat je bestaat. In feite besta je dan niet.  

    Misschien kan de vroegste fase van de ontwikkeling van het kind dit begrijpelijker maken.  

    Aanvankelijk is een baby zich nog helemaal niet bewust van zijn omgeving en evenmin van zichzelf. Hij gaat op in die omgeving, er is nog geen onderscheid tussen die omgeving en hemzelf. In die zin bestaat er voor hem nog geen wereld en bestaat er voor hem nog geen zelf.

    Maar zijn bewustzijn van zijn omgeving, en tegelijkertijd dat van hemzelf, neemt toe. Hij gaat wijzen naar dingen, hij gaat ernaar toe kruipen, ernaar toe lopen, hij gaat dingen benoemen. En als kroon op deze ontwikkeling gaat hij, meestal rond de tijd dat hij twee en een half is, ‘ik’ zeggen. Hij benoemt zichzelf nu niet meer met de naam die iedereen voor hem gebruikt en bekijkt zichzelf dus niet meer van buiten af, hij benoemt zichzelf voor het eerst van binnen uit. Hij zegt bijvoorbeeld niet meer: ‘Robbie ijsje’, maar: ‘Ikke ijsje.’ Dit is een belangrijke mijlpaal op de weg naar zelfbewustzijn. En terwijl dit prille zelfbewustzijn ontstaat ontstaat tevens een bewustzijn van de wereld.

    Er is een onderscheid gekomen tussen het ik en het andere.

    In de ontwikkeling van de baby is dus een duidelijke parallel te zien met de ontwikkeling van de wereld.

 

De Sofia

 

    Richt ik mij nu wat specifieker op de tekst van het Hebreeuwse scheppingsverhaal, dan valt mij meteen in de eerste zin al een bijzonderheid op. Die eerste zin wordt bijna altijd vertaald met:

 

In het begin schiep God hemel en aarde.

(Genesis 1; 1)

 

    Maar in het Hebreeuws staat dat er niet. In het Hebreeuws is niet sprake van ‘God’ maar van ‘goden’. ‘Elohim’, het hier gebruikte woord, is een meervoudsvorm. Merkwaardig genoeg staat het werkwoord dan weer in het enkelvoud. Zou je die eerste zin letterlijk vertalen, met tevens respect voor de tijdsvorm waarin het werkwoord staat, dan krijg je:

 

In het begin had goden hemel en aarde geschapen.

 

    Enerzijds wordt God dus als een eenheid gezien, anderzijds is sprake van een meervoud. Die meervoudigheid wordt nog eens geaccentueerd wanneer even later vermeld wordt dat de mens wordt geschapen. Dit wordt namelijk beschreven met de zin (letterlijk vertaald):

 

Wij zullen een mens maken naar ons beeld, in overeenstemming met ons.

(Genesis 1; 26)

 

    Hier staat het werkwoord opeens wel in de meervoudsvorm en is sprake van ‘ons’.

    Wat de meervoudigheid van deze scheppende God inhoudt kan worden vermoed naar aanleiding van een zin wat verderop. Ik gebruik weer de letterlijke vertaling.

 

En Goden maakte de mens, naar het eigen beeld, naar het beeld van Goden heeft hij hem geschapen, mannelijk en vrouwelijk heeft hij hem geschapen.  

(Genesis 1; 27)

 

    Mannelijk en vrouwelijk. De logische conclusie lijkt mij: Als God(Goden) de mens heeft(hebben) geschapen naar het eigen beeld en hij(zij) schept(scheppen) hem mannelijk en vrouwelijk, dan moet(moeten) hij(zij) zelf ook mannelijk en vrouwelijk zijn. En dan ligt het voor de hand dat het meervoud binnen deze eenheid precies op dat mannelijke en vrouwelijke berust.

    God heeft dus een mannelijke en een vrouwelijke kant.

    Ga ik verder op zoek naar die vrouwelijke kant van God, dan kom ik uit op het boek ‘Spreuken’, dat in de Hebreeuwse bijbel is opgenomen. De meest opvallende vermelding vind ik de volgende, waarbij ik opnieuw zo letterlijk mogelijk probeer te  vertalen:

 

De Heer bezat mij

als het beginsel van zijn weg,

vóór zijn werken, van toen aan.

Sinds de eeuwigheid ben ik gezalfd geweest,

vanaf het begin,

vanaf de oudheden der aarde.

(Spreuken 8; 22-23)

 

    Degene die hier spreekt is Wijsheid, een begrip dat als een persoon, of in ieder geval als een wezen wordt voorgesteld. In het Hebreeuws wordt zij Chokhmah genoemd. Omdat deze Wijsheid het meest bekend is geworden onder de Griekse naam, Sofia, zal ik die laatste naam aanhouden. Sofia wordt als een wezen voorgesteld met een duidelijk vrouwelijk karakter. Het geslacht van het woord is ook vrouwelijk, hetgeen eveneens met het Nederlandse en het Hebreeuwse woord het geval is.        

    Interessant. Voordat de wereld geschapen werd was Sofia dus al bij God (hier in de gestalte van Jahweh) aanwezig. Welnu, als de schepping geschiedde door een mannelijk-vrouwelijke godheid en als Sofia al vóór de schepping bij God aanwezig was, dan ligt het voor de hand in          Sofia de vrouwelijke kant van de godheid te zien. We kunnen hier dus spreken van het paar Jahweh en Sofia dat verantwoordelijk was voor de schepping van de wereld.

    Wat de vraag doet rijzen naar hun rolverdeling.

    Eerder zagen we dat God zichzelf leerde kennen door zijn naam uit te spreken. In die uitgesproken naam zag hij zichzelf als het ware weerspiegeld en zo werd hij zich bewust van zichzelf. Welnu, dan moet het haast wel Sofia (Wijsheid) zijn in wie hij zich weerspiegeld zag. Sofia, Wijsheid, zij is het bewustzijn van God. Zij is de kennis van God.

 

De menselijke ziel

 

    In de eerder aangehaalde tekst waarmee het Johannesevangelie begint zie je iets dergelijks gebeuren. Eerder vertaalde ik de Griekse tekst met: ‘In oorsprong was er het woord.’ Ik wil daar nu aan toevoegen dat het met ‘woord’ vertaalde woord, ‘logos’, mannelijk is en het als ‘oorsprong’ vertaalde woord, ‘archeh’, vrouwelijk. Uitgaande van de woordgeslachten is er in deze prille toestand dus duidelijk iets op het gebied van mannelijk-vrouwelijk aan de hand.

    Wat precies, dat wordt duidelijker als je onder ogen ziet dat ‘archeh’ ook ‘oersituatie’ of ‘oersubstantie’ kan betekenen. Houd je die laatste vertaling aan, dan staat er dat het woord klonk in een oersubstantie. Een substantie die aan de materiële substantie voorafging. Ook hier kan de voorstelling ontstaan dat het woord een spiegeling vond in iets wat ertegenover stond. Dat een vrouwelijk iets het woord, dus de mannelijke godheid, ontving. Dit komt erg overeen met de ‘Ik ben’ zeggende Jahweh en de hem weerspiegelende, hem kennis biedende Sofia.

    Zoals ik al aangaf moet ook in het Johannesevangelie de inhoud van het scheppingswoord als ‘Ik ben’ worden gezien.

    Sofia is dus de weerspiegeling van God, de kennis van God. En tevens de oersubstantie waarin God zich uitsprak. Die oersubstantie ontwikkelde zich als wereld, als materiële wereld en daardoor is het begrijpelijk dat in veel mythen Sofia wordt gezien als een wijsheid die ten val kwam. Het was een val in de materie, waardoor je aan de ene kant God en de hemel kreeg en aan de andere kant Sofia en de aarde. Hetgeen een logisch gevolg was van de eerste schepping die door deze twee werd verricht en die dus al meteen een beeld was van henzelf: de schepping van een hemel en een aarde.

    Trouw aan haar rol bleef Sofia ook op aarde de kennis van God. Al werkte ze nu in de menselijke ziel.

    Door dit zo te stellen sluit ik aan bij wat Carl Jung heeft uitgewerkt over de ‘anima’. De anima is voor Jung de ziel van de man en die ziet hij als vrouwelijk, zoals ook het woord anima vrouwelijk is. Via haar kan de man kennismaken met de niet-materiële werkelijkheid. Binnen die anima onderscheidt Jung verschillende gradaties, zoals er ook verschillende gradaties van kennis zijn, en de hoogste gradatie, waarmee de mens tot kennis van God kan komen, noemt Jung de Sofia. De Sofia is voor Jung datgene in de ziel van de mens wat de mens verbindt met God.

    Natuurlijk heeft ook de vrouw een ziel. Die wordt door Jung de animus genoemd. Is de kennis via de anima sterk met gevoel verbonden, de kennis via de animus heeft een meer denkmatig karakter, waarmee dus op zielsgebied een omkering plaatsvindt van de tendensen die in het concrete leven bestaan.

    Vaak wordt de Sofia gelijkgesteld aan de Heilige Geest, naast de Vader en de Zoon de derde persoon van de Drieëenheid. Ook binnen de gnosis is dat het geval. Kunnen we in de Vader de schepper zien en in de Zoon de geschapene, in de zin van de goddelijke mens (de Christos), dan kunnen wij in de Heilige Geest het goddelijke in de menselijke ziel zien. Of de menselijke ziel die het goddelijke erkent. Doen we dit, dan komt de Heilige Geest inderdaad overeen met de Sofia.

 

De Sjekinah

 

    De belangrijkste stroming binnen de joodse mystiek, de kaballah, kent een wezen dat nauw met de Sofia verwant is. Zij wordt de Sjekinah genoemd, een naam die ‘bewoning’ of ‘zich vestigen’ betekent. Taalkundig is dit woord ook vrouwelijk. De Sjekinah wordt door de kaballisten als de vrouwelijke kant van de godheid gezien en hier wordt dit uitgelegd in die zin dat zij het goddelijke vertegenwoordigt voor zo ver het zich op aarde manifesteert. Zij is het goddelijke in een binnen het aardse te beleven vorm. Hetgeen naadloos aansluit bij de mythe van de gevallen Sofia.

    In dit kader werd bijvoorbeeld de tempel met de Sjekinah in verband gebracht, de tempel die voor de Israelieten de verblijfplaats was van God op aarde. Ook het goddelijke binnen de mens kan met Sjekinah worden aangeduid. Het is de ‘inwoning’ van God in de mens.

    De kaballisten zagen in de vrouwelijke gestalte de uiting van iets goddelijks. En iedere vrouw was voor hen een afspiegeling van de Sjekinah.

    Zie je de partner van Jahweh als de Sofia, dan staat de kennis op de voorgrond. Zie je zijn partner als de Sjekinah, dan staat het aardse bestaan op de voorgrond. De Sofia en de Sjekinah, ik zie ze als twee samenhangende en elkaar aanvullende aspecten van de vrouwelijke godheid.  

 

Kennis

 

    De Sofia staat voor kennis. En het was de boom van kennis waarvan Eva’s vrucht afkomstig was. (Dat het een appel was is overigens een latere invulling, hier is alleen sprake van een vrucht. Maar dat even tussen haakjes.) Het lijkt mij dus zinvol het thema kennis wat nader onder de loep nemen.  

    Een van de kwesties die door de grote filosoof Kant aan de orde zijn gesteld is hoe ver onze kennis reikt. Meer in het bijzonder vroeg hij zich af of we de dingen werkelijk kunnen kennen. Hij sprak in dit kader van ‘das Ding an sich’, het ding op zichzelf. Kant’s antwoord was dat wij het ding op zichzelf niet kunnen kennen, dat wij nooit kunnen weten hoe een ding als zodanig is. Want hoe wij het ding zien wordt bepaald door de specifieke manier waarop wij het waarnemen. En iedere waarneming biedt misschien een aspect, maar het ding als zodanig blijft buiten bereik.

    In het Chinese taoïsme speelt een vergelijkbare kwestie, die al in de eerste regels van het taoïstische basisboek, de Tao Teh King, wordt verwoord. Die regels luiden:

 

De weg die verwoord kan worden is niet de ware weg.

De naam die genoemd kan worden is niet de ware naam.

 

    Met andere woorden: de naam is niet het benoemde ding. Je kunt een ding wel benoemen, maar dan raak je niet aan het wezenlijke ervan. Je strijkt er als het ware net langs, of je verwijst ernaar.

    Op grond van Kant’s visie kun je het ding als zodanig niet kennen. Op grond van de taoïstische visie kun je het ding als zodanig niet benoemen. Het kennen en het benoemen zijn beide niet meer dan benaderingen, terwijl het ding zelf zich onttrekt.

    Zijn kennen en benoemen dan zinloos?

    Nee. Want je kunt dan het ding als zodanig niet kennen, wat je wel kunt kennen is de betrekking tussen jou en het ding. Iets overeenkomstigs geldt voor het benoemen. Het woord dat je voor een ding gebruikt dekt dan het ding als zodanig niet, maar via het woord ga je wel met het ding een betrekking aan. Waarbij de manier waarop je het ding benadert de aard van die betrekking bepaalt. De betrekking is waar het op aan komt.

    Benader je het ding vanuit een streven naar objectieve kennis, dan objectiveer je het, blijft het buiten je en ontstaat er geen werkelijke betrekking. Benader je het ding vanuit een betrokken kennis, dan ontstaat er een wisselwerking tussen jou en het ding en kun je op een of andere manier met het ding samenkomen. Daaruit kan iets vruchtbaars ontstaan.

    Doe je dit bijvoorbeeld met een edelsteen, dan ga je verder dan het constateren van de vorm, de kleur de substantie, het gewicht en andere meetbare factoren. Dan kan het gebeuren dat die kleur bijvoorbeeld ‘tot je gaat spreken’, dat het zachte groen van een smaragd je in contact brengt met iets zachts en groens in jezelf, een verlangen zonder drang, een verlangen naar rustige, stralende harmonie. Wat je op die manier beleeft aan het ding is niet zonder meer te veralgemenen. Een ander ervaart misschien eerder verbondenheid met de natuur als hij deze groene kleur op zich in laat werken. Hetgeen aanleiding kan zijn voor een gesprek, dat jouw beleving van de edelsteen en die van de ander kan verrijken. Al met al kun je zo een zin aan deze edelsteen beleven, iets wat via de objectieve kennismethode niet mogelijk is. Objectief kennen en zingeving gaan niet samen.  

    Dat wat het kennen betreft. Nu over naar het woord.

    Probeer je het ding met woorden te definiëren, dan kun je het alleen maar omlijnen en dring je niet door tot het ding als zodanig. Krijg je echter gevoel voor de klank van de woorden, voor hun ritme, voor hun beeldwaarde, en neem je die elementen mee in je benadering, dan kan het ding dichter bij komen en kan het gaan leven. Je kunt je dan laten inspireren door het ding en wat daarbij in je opkomt kun je aan het ding teruggeven in de vorm van een bevlogen stukje tekst. Zo kom je op het vlak van de poëzie, echter niet van een poëzie als vrijblijvende schoonheid maar van een poëzie die een vorm van kennis is. Poëzie is kennis wanneer de klanken, woorden en beelden een adequate afspiegeling zijn van het onderwerp.

    Beide wegen tot betrokken kennis vragen om inzet van het denken. Maar dit moet wel een beweeglijk en speels denken zijn.

 

Een bewuste verbinding

 

    Keren we nu terug naar het paradijsverhaal en naar de boom van kennis, dan kan het volgende beeld ontstaan. Kennis is in eerste instantie altijd een afstand nemen van het wezenlijke. Dat was al zo toen God bij het begin van de schepping zichzelf leerde kennen. Wie hij was was onkenbaar, hij kende alleen zijn weerspiegeling in de vorm van het uitgesproken woord, een weerspiegeling die een vorm van afstand was. Het herhaalde zich toen de mens zijn gelijke zocht en gesplitst werd in man en vrouw. Ook hier werd de eenheid tot een tweeheid, waardoor afstand ontstond. Die afstand scheppende kennis deed zich opnieuw voor toen Eva van de boom van kennis at, want zo maakte ze zich los uit de natuurlijke verbondenheid met het goddelijke, stelde zij zich ertegenover. Het wezenlijke van het goddelijke ontging haar daarbij.

    Maar na dit afstand nemen was een tweede stap mogelijk, die van de verbinding.

    Er kwam een verbinding tussen God en Godin en in hun wisselwerking ontstond de schepping.

 

In het begin schiep Goden een hemel en een aarde.

(Genesis 1; 1)

 

    Er kwam eveneens een verbinding tussen Adam en Eva, zoals beschreven is in het Hebreeuwse paradijsverhaal.

 

Daarom pleegt een man zijn vader en moeder te verlaten en hecht hij zich aan zijn vrouw, opdat zij weer kunnen komen tot éénheid.

(Genesis 2; 24)

 

    Waarna Adam en Eva beiden een verbinding vonden met het goddelijke, en wel doordat ze nu zelf goddelijk werden.

 

Toen zei de God Jahweh: Ziet, de mens is geworden als een van ons nu hij kennis heeft van goed en kwaad.

(Genesis 3; 22)

 

    Het probleem van de kennis is dat zij in eerste instantie afstand schept. De winst van de kennis is echter dat ze een verbinding mogelijk maakt. En die verbinding kan een scheppende zijn.

 

Conclusie   

 

    Het eten van de verboden vrucht, het had vergaande consequenties. De mens kwam los van God te staan, terwijl de kennis, het lichaam, de seksualiteit, de tijd en de dood ontstonden. Het is aan ons weer een verbinding te maken en daarvoor zullen wij al deze elementen nodig hebben. Wij kunnen proberen de dood te overwinnen. Wij kunnen de tijd overstijgen. Wij kunnen de seksualiteit vervullen met liefde. Wij kunnen het lichaam tot een tempel maken. Wij kunnen een vorm van kennis toepassen die verbindt. En wij kunnen God terugvinden door het goddelijke in onszelf te ervaren. Dat laatste leidt ertoe dat wij zelf scheppend worden en dat wij bijvoorbeeld met een bevlogen woord het ding boven zijn functionele beperktheid kunnen verheffen.