Riviervissen

FENOMENOLOGISCHE STUDIES

 

 

1. RIVIERVISSEN

 

    Fenomenologische studies gaan uit van de waarneming, waarbij mogelijke theorieën of denkbeelden worden opgeschort. Zo onbevooroordeeld mogelijk laat de onderzoeker de verschijnselen op zich inwerken en pas op grond daarvan gaat hij op zoek naar de wetmatigheden die hierbij mogelijk werkzaam zijn. Hij probeert die wetmatigheden aan de verschijnselen af te lezen.

    Hoe je naar de natuur kunt kijken met afzien van de gebruikelijke denkbeelden ten aanzien van tijd moge uit het onderstaande voorbeeld duidelijk worden.

 

    Ik was met mijn gezin op vakantie in de Dordogne. Vlak bij de camping waar onze tenten stonden stroomde een beek met helder water, waarin we steeds een groepje vissen zagen zwemmen. Meestal lagen ze vrij stabiel tegen de stroom in. Zoals een blik in mijn dierengids leerde ging het hier om serpelingen, een soort voorn die slanker is dan de andere voornsoorten en die in stromend water leeft, in beken en rivieren. De andere voornsoorten leven in stilstaand water. Het bijzondere van dit groepje was dat ze een vis in hun gelederen hadden opgenomen waarvan ik meteen zag dat het een baars was. Een baars kan in beken en rivieren voorkomen maar is meestal te vinden in plassen en meren, hetgeen ook te zien is aan zijn bouw: veel minder slank en minder gestroomlijnd dan bij typische riviervissen als forellen het geval is. De serpelingen deden qua bouw wel aan forellen denken.

    Soms speelden mijn kinderen bij de beek en dan vluchtte het groepje, als het enigszins kon tegen de stroom in en met een snelheid die ik bijna geen snelheid meer kon noemen. Het ging gewoon in een flits. Speelden mijn kinderen echter een paar meter stroomopwaarts ten opzichte van de vissen, dan vluchtten ze stroomafwaarts.

    Stroomafwaarts was er, meteen na een bocht, een sterke versmalling in de beek, waar het water ook sneller stroomde. Daar was een bruggetje over de beek gelegd. De doorgang van de beek onder dat bruggetje was ongeveer zo groot als mijn grote visnet, merkte ik toen ik het uitprobeerde. Terzijde daarvan  was het water aan weerszijden ondiep en bood het nauwelijks ruimte om een van de vissen door te laten. Ik kwam op een idee.

    Terwijl ik het net in de doorgang hield vroeg ik mijn kinderen stroomopwaarts te lopen, tot een paar meter voorbij de plek waar ik kort tevoren het groepje vissen had waargenomen, en ze op te jagen in mijn richting. We zouden kijken of we op die manier wat vissen  konden vangen, want vis vangen was een van onze grote hobby’s in die vakantie. Mijn kinderen vonden het een leuk experiment en welgemoed liepen ze stroomopwaarts, waarna ze met veel overtuiging de vissen in mijn richting joegen.

    Wat er toen gebeurde was merkwaardig. Alle serpelingen wisten in vliegende vaart voorbij mijn net te schieten, over de ondiepe gedeelten. De enige vis die in mijn net terecht kwam was de baars. Hoe was dit te verklaren?

    Dat de serpelingen pas tot hun koers hadden besloten toen ze de bocht uit kwamen leek mij erg onwaarschijnlijk. Daar was geen tijd voor. De enige verklaring die ik kon vinden was dat ze, thuis in stromend water, de beek als geheel in beeld hadden gehad en instinctief hadden aangevoeld dat er een obstakel was. En dat de baars, veel minder in stromend water thuis, pas op het moment dat hij de bocht uit  kwam het obstakel had opgemerkt, waardoor hij te laat met zijn reactie was.

    Met dank voor zijn medewerking aan ons experiment liet ik de baars vrij, waarna hij zich al snel weer bij de serpelingen voegde. We hebben het groepje verder met rust gelaten.

 

    Als wij denken over tijd zien wij die als lineair. Waarbij het een op het ander volgt. Op grond van dit experiment meen ik te mogen constateren dat vissen die in stromend water leven die stroom niet als een opeenvolging van losse delen beleven maar als een dynamisch geheel. Waarbij dus eigenlijk geen lineaire tijd bestaat.

    De serpelingen reageerden, toen ze werden opgejaagd, vanuit een verbondenheid met de beek als geheel, met alle stroomveranderingen die daarin optraden. Hun reactie was er een buiten de lineaire tijd om.

 

    Achteraf vond ik dat niet zo vreemd als op het moment zelf, want ik was al vertrouwd met de gedachte dat het leven werkt op die manier. Dat het leven niet werkt als een opeenvolging in de tijd maar als een stroom. En als ik dat schrijf moet ik meteen denken aan het taoïsme, dat eigenlijk een filosofie van de stroom is, en aan de filosofie van de oude Griek Heraklites, wiens motto was ‘Alles stroomt’.

    Alles stroomt, er zijn geen vaste punten. De lineaire tijd, gebaseerd op een opeenvolging van vaste punten, is een door de mens gevormd idee dat mogelijk geldigheid heeft voor dode dingen maar dat niet op de levende natuur van toepassing is.