Het grijze gebied en de tijdloosheid

 

Een grijs gebied

 

     Als je je laat leiden door de DSM, het classificatiesysteem van psychiatrische aandoeningen zoals dat wereldwijd gebruikt wordt, zou je kunnen denken dat er tussen hoogsensitiviteit en PDD-NOS en dus tussen niet autistisch en autistisch een duidelijke grens bestaat. Mijn ervaring leert me anders. De verschijnselen binnen de PDD-NOS zijn zo divers en binnen de hoogsensitiviteit komt zo veel naar autisme tenderend gedrag voor dat het trekken van een grens hier iets willekeurigs heeft. Verder is het zo dat de ene diagnosticus veel scheutiger is met een autismediagnose dan de andere.

     In de praktijk blijkt, zoals ik eerder opmerkte, dat er een groot grijs gebied tussen autisme en hoogsensitiviteit bestaat, een grijs gebied dat, met name in de laatste twee decennia, steeds maar groter geworden is. Het denken in hokjes wordt binnen dit grijze gebied danig op de proef gesteld. Voor een denken dat zich niet op hokjes richt maar meer uitgaat van de dynamiek die de verschijnselen zelf laten zien is het bestaan van dit grijze gebied echter geen enkel probleem. De dynamiek is voor alle mensen binnen dit gebied dezelfde, al kan de intensiteit van de problematiek verschillen. Het uitgaan van een dergelijk grijs gebied heeft verder het voordeel dat ook verschijnselen als  hoogbegaafdheid en ADHD, waarbij veel onderzoekers overlappingen met autisme hebben waargenomen, hier zonder meer binnen passen. Dat zal hopelijk uit het volgende duidelijk worden.

 

     De mensen die binnen dit grijze gebied te plaatsen zijn hebben met elkaar gemeen dat, als aanleg, de ziel een losse verbinding heeft met de lichamelijkheid. Wat brengt dat met zich mee voor het lichaam?

     In ieder geval dat het lichaam een beetje aan zichzelf wordt overgelaten. Dit manifesteert zich als een onduidelijk lichaamsgevoel en een onhandige, soms ook stijve motoriek. Maar opeens kan het dan gebeuren dat het lichaam juist heel soepel is en dat het lichaam genuanceerd wordt waargenomen. Dat gebeurt wanneer de ziel een motief heeft gevonden om zich met het lichaam te verbinden. Bij de normaal geïncarneerde mens is incarnatie geen thema, hij incarneert gewoon, zonder daar een speciaal bewustzijn bij te hebben. Bij de mens uit het grijze gebied is incarnatie wel een thema. Hij incarneert alleen als hij ervoor kiest en hij kiest ervoor als hij een motief heeft.    

     Maar wat brengt de losse incarnatie met zich mee ten aanzien van de ziel? Om hier een licht op te werpen moet ik even terugkomen op de bijna-dood-ervaring, die ik in het eerste hoofdstuk al ter sprake bracht.

     Een van de belevingen die door veel mensen met een bijna-dood-ervaring wordt beschreven is dat het bewustzijn, wanneer het los van de lichamelijkheid is geraakt, het hele leven als een soort totaalbeeld overziet. Dus zonder duidelijke opeenvolging in de tijd. Blijkbaar wordt iets wat in de tijd en in de opeenvolging is beleefd als gelijktijdigheid ervaren wanneer het bewustzijn los van de lichamelijkheid is. Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofie, die er een levenswerk van heeft gemaakt om helderziende ervaringen voor het gewone denken toegankelijk te maken, constateert vanuit zijn helderziende ervaring iets overeenkomstigs bij mensen die overleden zijn. De lineaire tijd, de tijd van het na-elkaar, houdt blijkbaar op te bestaan wanneer de ziel zich van het lichaam heeft losgemaakt.

     Dit is eveneens waar te nemen aan iets wat heel veel mensen regelmatig meemaken, de droom. Ook als iemand droomt is zijn ziel niet sterk met zijn lichaam verbonden. De ogen zijn dicht, wat aangeeft dat de aandacht niet gericht is op de dingen van de wereld. De slapende persoon reageert normaal gesproken ook niet als er iets tegen hem wordt gezegd. Het lichaam is duidelijk aanwezig maar de ziel, - zou je kunnen zeggen - is  even weg. Dan zie je onder de oogleden snelle bewegingen van de ogen en weet je dat deze slapende persoon droomt. Maak je hem vervolgens wakker en vraag je hem naar zijn droom, dan zal hij een verhaal houden waarin de alledaagse logica ver te zoeken is. Een beer kan zomaar in een mens veranderen en iemand die zich op een bepaalde plek bevindt kan zonder overgang op een plek zijn aan de andere kant van de aardbol. Hij hoeft daarvoor niet naar het vliegveld te gaan, in te checken bij de balie, te wachten tot hij het vliegtuig in mag, een aantal uren te besteden aan de overtocht en vervolgens weer uit te stappen, nee, hij is er gewoon meteen.

     Ook in een droom werkt de lineaire tijd dus niet. Ook in een droom heeft de tijd meer het karakter van gelijktijdigheid, waarbij verschillende lagen tegelijkertijd kunnen bestaan.

 

Buiten de tijd

 

     Dat zie ik terug bij de belevingen van mensen uit het genoemde grijze gebied. Heel vaak hebben zij weinig tijdsbesef. Het komt ook voor dat iemand uit dit gebied er juist heel gefixeerd op is dat alles precies op de juiste tijd gebeurt of dat alle gebeurtenissen van het dagelijks leven aan vaste tijden worden onderworpen. Maar dat lijkt mij weer een controlemechanisme, een  zoeken naar houvast. En dat houvast is nodig doordat hij de tijd juist heel anders beleeft dan zijn omgeving.

     Los geïncarneerd zijn en weinig tijdsbesef hebben horen bij elkaar.  

 

     1) Daardoor hebben deze mensen ook problemen met oorzaak en gevolg, en in verband hiermee met het oplossen van sociale conflicten. Ze herinneren zich dan wel ongeveer wat er gebeurd is, bijvoorbeeld dat ze geslagen zijn, maar niet waaruit dat voorkwam. Zo krijgen ze geen goed overzicht van het conflict en kunnen ze hun eigen aandeel in het conflict vaak niet goed in beeld krijgen.

     2) Daardoor denken ze vaak eerder in beelden dan in woorden. Woorden functioneren in het na-elkaar. Eerst moeten de letters op een goede manier na elkaar gezet worden en dan moeten de woorden nog eens in de juiste opeenvolging tot zinnen worden aaneengeschakeld. Denk je in beelden, dan denk je binnen de gelijktijdigheid, want in een beeld zijn alle gegevens gelijktijdig aanwezig. Als je een beeld krijgt van een situatie kun je allerlei samenhangen in een flits doorzien en dat kan diepe inzichten geven. Alleen is het vervolgens moeilijk die inzichten op een volgbare manier in taal om te zetten. Een beelddenker die dat probeert kan gemakkelijk over zijn woorden struikelen. Het denken van een beelddenker is eerder intuïtief dan logisch. Liever dan met taal houdt hij zich bezig met tekenen, schilderen of ruimtelijke ontwerpen. Richt hij zich op taal, dan kan die gemakkelijk een poëtische inslag krijgen.

     Ook hoogbegaafdheid is in dit kader te begrijpen. Want vaak lijkt hoogbegaafdheid ook weer voort te komen uit flitsen van inzicht waarin allerlei verschillende gegevens op een ongebruikelijke manier met elkaar in verband worden gebracht. Dat inzicht heeft het karakter van een beeld. Verder kan een hoogbegaafde vaak al op grond van summiere gegevens conclusies trekken, omdat hij heel snel het beeld ziet waarbinnen deze gegevens passen. Wordt, bijvoorbeeld in een klas, na die summiere gegevens het volgende stapje gezet en daarna weer het volgende, totdat de conclusie wordt bereikt - iets wat voor de meeste leerlingen de juiste didactiek is -, dan raakt een hoogbegaafde verveeld. Hij weet immers al lang waar het op uit zal draaien. De uitdaging die een hoogbegaafde zoekt ligt, denk ik, niet op het puur intellectuele vlak. Hij wil gewoon aangesproken worden op zijn eigen manier van denken, die heel vaak beeldend is.

     3) Wat ook met deze gelijktijdigheid te maken heeft is dat mensen uit het grijze gebied niet leren via oefenen maar via inzicht. Een voorbeeld. De meeste kinderen gaan oefenen als ze willen leren fietsen. Ze proberen het voorzichtig, vallen, staan weer op, proberen het weer, en  langzamerhand, doordat ze leren van hun ervaringen, krijgen ze het fietsen onder de knie. Voor dat leren van ervaringen is tijd nodig. Kinderen uit het grijze gebied gaan anders te werk. Die gaan niet oefenen, die wachten net zo lang tot ze inzien hoe fietsen werkt en dan stappen ze op en rijden zonder strubbelingen weg. Ze moeten eerst het beeld hebben, anders kunnen ze niks. Ze kunnen eigenlijk niet echt iets leren, want leren speelt zich af in de tijd. Ze kunnen iets of ze kunnen het niet. Wat natuurlijk faalangst met zich mee brengt op momenten dat ze iets moeten waar ze zich nog niet aan toe voelen. Wil je iets met deze mensen bereiken, dan moet je hun beelden geven.

     4) Eveneens vanuit deze gelijktijdigheid is te verklaren dat mensen als Birger Sellin een moment naar een bladzijde kunnen kijken en dan meteen de hele tekst begrijpen. In een flits overzien ze een geheel, ook als het niet om letters gaat. De blik van mensen met autisme is in het algemeen vluchtig, strijkt langs de dingen heen. Maar meer tijd hebben ze ook niet nodig.

     5) Dat veel van mensen een fotografisch geheugen hebben is eveneens vanuit deze visie verklaarbaar.

     6) Verder is ADHD vanuit deze ongewone tijdsbeleving te verklaren. Iemand met ADHD denkt niet binnen het kader van het lichamelijke, hij denkt er niet aan dat het lichaam een bepaalde tijd nodig heeft om ergens te komen. Hij denkt binnen het kader van de ziel en de ziel heeft geen tijd nodig. De ziel (of aandacht) gaat naar iets uit en is er al meteen. Maar het lichaam is niet zo snel. Voortdurend rent iemand met ADHD eigenlijk achter zijn ziel aan met zijn lichaam en dat lichaam zal die ziel nooit bij kunnen benen. Dat is vermoeiend, voor de persoon zelf maar ook voor zijn omgeving. Maar het merkwaardige is dat het lichaam ook op een bepaalde manier opgeladen wordt door deze manier van doen. Blijkbaar vult de ziel iets aan van de energie die het lichaam door die niet aflatende activiteit kwijtraakt.

     7) En dan kijken we ook nog maar even naar dyslexie vanuit deze visie. Veel mensen met dyslexie blijken beelddenkers te zijn. Ze hebben moeite met woorden die geen beeldwaarde hebben, zoals het of wanneer of en. Komt er zo’n woord voor in een stuk dat ze moeten lezen, dan ontstaat er in hun hoofd een leegte en hebben ze de neiging het woord te veranderen in iets wat erop lijkt. Wanneer kan dan bijvoorbeeld meneer worden. Soms keren ze ook de volgorde van de letters om als ze een woord niet begrijpen, dat maakt voor hen niet veel uit want ze denken toch niet in het na-elkaar.  Een woord als ‘door’ kan dan makkelijk als ‘rood’ gelezen worden. Verder kunnen zo gemakkelijk de d en de b door elkaar worden gehaald. Ronald Davis, zelf dyslectisch, heeft hier een heel helder en handig boek over geschreven (in het Nederlands vertaald als De gave van dyslexie).

     8)De niet-lineaire tijdsbeleving kan doorwerken in de waarneming in het algemeen. Concrete dingen waarnemen is voor mensen uit het grijze gebied relatief moeilijk. Die concrete dingen horen bij de gewone tijd. Daarentegen komt bij hen vrij veel helderziend waarnemen voor of het waarnemen van zaken die alleen voor de persoon zelf werkelijk zijn, zoals gestalten in de gordijnen wanneer het donker is of een mannetje dat uit een balpen kruipt. Vriendjes die voor anderen niet zichtbaar zijn horen hier ook bij. De grens tussen fantasie en werkelijkheid is bij mensen uit het grijze gebied vaak onduidelijk.

     9) Tenslotte: doordat er weinig tijdsbesef is bij deze mensen kunnen ze niet goed plannen. Ze hebben de neiging alles door elkaar heen te doen. Om te kunnen plannen hebben ze vaak visuele houvasten nodig.

 

     Tot zo ver wat voorbeelden van verschijnselen binnen het grijze gebied die heel eenvoudig verklaard kunnen worden vanuit de visie: deze mensen hebben een andere tijdsbeleving.

     Dit lijkt misschien ver gezocht. Maar iedereen kan dagelijks ervaringen opdoen die dit ondersteunen. Iedereen maakt wel eens mee dat hij in een flits iets belangrijks waarneemt aan een mens of een situatie, iets wat hij gaat betwijfelen als hij wat langer kijkt maar wat uiteindelijk toch waar blijkt te zijn. Een vluchtige blik kan je bijvoorbeeld duidelijk maken dat iemand niet oprecht is, terwijl hij je, als hij de tijd krijgt, van het tegendeel zou kunnen overtuigen. Een vluchtige blik kan je er ook meteen van overtuigen dat een vogel die je ziet vliegen een duif is, terwijl hij bij nader inzien ook een valk zou kunnen zijn. Je ziet dan gewoon meteen de gestalte van de duif, het eigenlijk duivige om zo te zeggen, en dat bedriegt niet. Ook verliefdheid is iets wat heel vaak vanuit een enkele blik ontstaat. In die enkele blik zie je iets in die andere persoon dat na een jarenlange relatie aardig naar de achtergrond kan verdwijnen maar wat niettemin bestaat. Je hebt dan even een inkijkje in de ziel van de ander, en in datgene wat hij of zij kan zijn als hij in zijn volheid komt.

 

Individualiteit

 

     Naast het vage lichaamsbesef en het van het normale afwijkende tijdsbeleven is er nog een ander kenmerk van licht geïncarneerde mensen dat niet over het hoofd kan worden gezien. Deze mensen zijn sterke individuën. Weliswaar kunnen ze zich een tijd lang te veel aanpassen, maar als het erop aan komt stromen ze niet mee met de grote stroom, gaan ze hun eigen gang. Ze nemen niet gemakkelijk iets van anderen aan. Uiteindelijk laten ze zich weinig door anderen beïnvloeden. Ze leren het liefst op hun eigen manier. En als je iets met hen wilt bereiken is het respecteren van hun autonomie, hun behoefte aan zelfbepaling, zonder meer voorwaarde.

            De individualiteit (of het ik) is iets anders dan de ziel. De ziel is aandacht, bewustzijn. De individualiteit is zelfbewustzijn.