Psychische aspecten

 

Depressie

 

     Depressie is een stabiel gevoel van neerslachtigheid, waarop de persoon die eraan lijdt maar weinig invloed kan uitoefenen. Veel tussenmensen tonen tekenen van depressie, maar vaak is die depressie, denk ik, eerder een gevolg van hun manier van zijn dan iets waar zij vanaf het begin al mee te maken hebben. Aanvankelijk hebben ze vaak een bepaalde naïeve openheid naar het leven toe, maar als ze merken dat ze de aansluiting missen en dat veel ontwikkelingen  voor hen ingewikkeld en moeizaam zijn die bij anderen min of meer vanzelfsprekend verlopen kunnen ze hun kopje wel eens laten hangen en kunnen ze de neiging hebben het op te geven. Dat laatste kan des te gemakkelijker gebeuren doordat veel tussenmensen niet zulke aanpakkers of doorzetters zijn.

     (Ik merk dat ik hier weer even ben teruggevallen in het denken in oorzaak en gevolg.)

 

Wanen

 

     Tussenmensen met een sterke controlebehoefte zijn vaak terughoudend wat fantasie betreft, omdat het aan fantasie eigen is dat ze zich aan controle onttrekt. Maar veel tussenmensen hebben juist een heel actieve fantasie en kunnen daar helemaal in opgaan, zelfs zo dat het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid onduidelijk wordt. De concrete werkelijkheid is eigenlijk niet hun criterium, daarin voelen ze zich niet goed thuis.

     Trek je deze tendens een beetje verder door, dan kom je bij de wanen. Iemand met wanen beleeft en ziet dingen die anderen niet zien en hij beleeft die als werkelijkheid. Hij beleeft een privéwerkelijkheid en raakt hij ten opzichte van de gewone wereld in een isolement. Omdat hij zich vaak niet meer tegenover die beelden kan stellen met zijn bewuste ik kunnen die beelden dan macht over hem krijgen en daarbij kan het gebeuren dat hij vanuit die beeldenwereld opdrachten krijgt (Spring van de brug, bijvoorbeeld) die tegen zijn eigen welzijn ingaan. Wanen kunnen tot een ernstige ontwrichting van een leven leiden.

     Maar het is ook mogelijk beelden te krijgen met een waanachtig karakter zonder erdoor overspoeld te raken. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij Carl Jung tijdens de crisis die hij in 1913 doormaakte. Hij zag hoe een vloedgolf Europa overspoelde, zag de profeet Elia met een blinde Salome en had lange gesprekken met een gevleugelde en gehoornde figuur die hij Philemon noemde en van wie hij veel leerde, naar zijn idee. Nuchter tegenover deze beelden staan kon Jung niet en dat wilde hij ook niet. Hij liet toe dat deze en vele andere beelden hem in beslag namen en ging er behoorlijk in op, slaagde er echter toch in overeind te blijven en wist uiteindelijk zijn psychische evenwicht niet helemaal kwijt te raken. Misschien was dit mogelijk doordat hij, toen de beelden er eenmaal waren, bewust contact met ze aanging, alsof het om gewone mensen ging. Hij tekende die beelden ook uit en beitelde ze uit in steen, zodat hij er ook in praktische zin iets mee deed. Juist doordat hij ze in zekere zin bewust toeliet bleef hij er min of meer baas over. Niettemin zijn verschillende psychiaters die Jungs leven hebben bestudeerd tot de conclusie gekomen dat Jung in 1913 een psychose heeft doorgemaakt, waarmee ze impliceren dat Jung heel wat minder controle over deze beelden had dan hij zelf wilde doen voorkomen.

     Wat sommigen wanen noemen is voor anderen een beeldentaal uit een andere werkelijkheid. Als je niet gelooft dat mensen beelden kunnen krijgen uit andere werkelijkheden moet je alle beelden als wanen beschouwen en kun je iemand met zulke beelden al gauw als psychotisch classificeren. Als je dat wel gelooft (en ik geloof dat), kun je genuanceerder over deze zaak denken.  Ik noem beelden pas wanen wanneer ze je overspoelen en je er geen bewuste verhouding mee aan kunt gaan.

     Tussenmensen zijn vaak erg gevoelig voor beelden uit een andere werkelijkheid.

 

Een onduidelijke geslachtelijke identiteit

 

     Afgezien van werkelijke hermafrodieten hebben alle mensen een mannelijk of een vrouwelijk lichaam. Niet alle mensen met een mannelijk lichaam voelen zich echter mannelijk en niet alle mensen met een vrouwelijk lichaam voelen zich vrouwelijk. Blijkbaar heeft nog iets anders dan het lichamelijke aspect invloed op de geslachtelijke identiteit.

     Ga je uit van het incarnatieprincipe, dan is deze speling binnen de geslachtelijke identiteit zonder veel omslag te verklaren. Het wordt dan logisch dat iemand die goed geïncarneerd is zich meer vanzelfsprekend identificeert met het lichamelijk gegeven geslacht en dat iemand die wat losser is geïncarneerd daarmee ook meer speling heeft ten opzichte van dit lichamelijke gegeven. In grote lijnen komt dit, denk ik, ook overeen met de feiten.

     Wat Jung uitwerkte over de anima en de animus sluit hierbij aan. Jung stelde dat bij iedere man het innerlijk een vrouwelijk karakter heeft, wat hij dan de anima noemt, en dat bij iedere vrouw het innerlijk een mannelijk karakter heeft, de animus. De licht geïncarneerde man heeft, denk ik, een nauwere band met zijn anima, wat leidt tot meer innerlijke instabiliteit en meer gevoeligheid. Hiervan kan inspiratie uitgaan. Bij de licht geïncarneerde vrouw geldt iets dergelijks voor de animus, wat in haar geval leidt tot duidelijke overtuigingen en vaak ook tot krachtdadig optreden op grond daarvan.

     Een man die los geïncarneerd is hoeft niet noodzakelijkerwijs vrouwelijke kenmerken of eigenschappen te laten zien of een los geïncarneerde vrouw mannelijke. Ik bedoel alleen dat er in die gevallen meer speling bestaat en dat de betreffende persoon vaak flexibeler is qua seksuele identiteit. Hij of zij heeft min of meer een keuze welke van beide kanten hij of zij zal ontwikkelen, de mannelijke of de vrouwelijke. Hij of zij zal ook vaak meer geneigd zijn te experimenteren met relaties, waarbij ook leden van hetzelfde geslacht in aanmerking kunnen komen voor seksuele uitwisseling. Het mannelijk-zijn van een licht geïncarneerde man is een min of meer bewust man-zijn en het overeenkomstige geldt voor het vrouwelijk-zijn van een licht geïncarneerde vrouw.

     Doordat deze mensen zich ervan bewust zijn beide geslachten in zich te dragen kunnen zij zich gemakkelijker als een op zichzelf staand geheel of als een individu ervaren.    

    

Afwending van het lichamelijke

 

     Dat de lichamelijkheid bij een licht geïncarneerd iemand minder vanzelfsprekend is dan bij een stevig geïncarneerd iemand kan er ook toe leiden dat iemand zich van de lichamelijkheid afwendt of er een afkeer van ontwikkelt. De identificatie met de lichamelijkheid wordt dan grotendeels opgeheven en men identificeert zich bijna volledig met de ziel, de van het lichaam losgemaakte ziel, die van buiten af een negatief oordeel over het lichaam velt. Dit treedt, denk ik, soms op bij genderdysforie, waarbij het lichamelijke geslacht wordt afgewezen omdat men zich van binnen anders voelt. Bij anorexia kan, denk ik, iets dergelijks een rol spelen. Ook iemand met anorexia identificeert zich niet met de lichamelijkheid, identificeert zich met een ideaalbeeld, in de zin van een bijna lichaamloze etherische gestalte. Van het lichaam wordt alleen gezien in hoeverre het hiervan afwijkt. In feite ligt de focus hier op het beeld van het lichaam dat leeft in de ziel en niet op het lichaam zelf.

     Ook bij mensen met een psychose  komt afkeer van de eigen lichamelijkheid voor. Ook mensen met een psychose zijn van hun lichaam losgeraakt. Ook zij lijken haast uitsluitend de wereld van de ziel te beleven.

     Hetzelfde komt voor bij religieuze fanaten. Religieus fanatisme berust naar mijn idee heel vaak op een negatieve houding tegenover de lichamelijkheid.

 

Anders voelen?

 

     De wakkere vorm van hoogsensitiviteit gaat vaak gepaard met snel denken. In een oogwenk kunnen ingewikkelde verbindingen worden doorzien en nog voordat er woorden kunnen worden gevonden kan binnen het bewustzijn de oplossing van een ingewikkeld vraagstuk al gegeven zijn. Vaak heb ik de indruk dat het algemene levenstempo van een hoogsensitief mens sneller is, ook in de zin dat iemand van twaalf soms als een zestienjarige kan worden aangesproken. De vraag die zich hierbij aan mij voordoet is hoe dit snelle denken en dit snelle levenstempo zich verhouden tot het gevoelsleven. Is er ook in het gevoelsleven van een hoogsensitieve meer snelheid en zo ja, hoe manifesteert zich dat dan?

     Het gevoelsleven bij hoogsensitieven lijkt in ieder geval beweeglijker en meer aan wisselingen onderhevig, waarbij het himmelhoch jauchzen gemakkelijk kan overgaan in zum Tode betrübt. Soms lijkt het ook vluchtiger en oppervlakkiger.

     Dat laatste kan vooral zo zijn binnen het alledaagse contact. Daar kan al gauw een bepaalde mate van onveiligheid worden ervaren, wat tot freeze-gedrag kan leiden en waarbij de directe gevoelsreactie wordt afgedempt. Maar dat wil niet zeggen dat er ondertussen niets wordt gevoeld. Wat wel zo kan zijn is dat de hoogsensitieve door deze remming van de gevoelsexpressie ook zelf het contact met zijn gevoelsleven een beetje kwijtraakt, zodat hij vaag en verward wordt wanneer hij op zijn gevoelsleven wordt aangesproken. De gevoelens van een ander ondergaat hij dan vaak gemakkelijker dan die van hemzelf. Kan hij echter binnen het contact focussen, dan is een hoogsensitieve vaak juist in staat tot een grote diepte in het gevoelsleven. Ook als een hoogsensitieve tot visualisaties of kunstuitingen komt kan iets heel dieps zichtbaar of hoorbaar worden.

     Vaak heeft de hoogsensitieve meer contact met gevoelens die het persoonlijke overstijgen dan met alledaagse persoonlijke gevoelens, die vaak vooral gericht zijn op eigenbelang. De hoogsensitieve kan erg meeleven met het leed van een ander, of met het leed van de mensheid, of met een mooie kunstuiting. Hij kan zijn eigen positie relativeren.

     Verder heeft het gevoelsleven van een hoogsensitieve soms een bepaalde objectiviteit. Bij wat ik subjectieve gevoelens noem trillen persoonlijke associaties mee die niet direct in verband staan met de feitelijke aanleiding. Iemand kan bijvoorbeeld jaloers op een partner zijn door een associatie met wat hij in het verleden heeft meegemaakt terwijl binnen het actuele contact geen aanleiding tot jaloezie bestaat. Bij objectieve gevoelens daarentegen wordt doorvoeld wat werkelijk bestaat. Je kunt bijvoorbeeld een elementaire boosheid ervaren op het moment dat een ander in je gebied binnendringt. Ik heb dat een keer meegemaakt toen een buurman bloemetjes verwijderd had uit mijn gedeelte van de voortuin. Of iemand kan voor een ander mens een liefde voelen die berust op wat die ander werkelijk is, die berust op het aanvoelen van de ziel van de ander en op de ontroering die dat met zich meebrengt. Daarnaast bestaan er ook subjectieve liefdegevoelens. Die zijn meer gericht op wat je in de ander ziet zonder dat die ander dat ook echt vertegenwoordigt. Jeprojecteert dan je eigen inhouden op die ander en hoopt dat de ander de rol gaat spelen die jij hem of haar hebt toebedacht.    

     Het gevoelsleven van een hoogsensitief mens verder vaak sterk gericht op essenties, eerder dan op voorbijgaande bijzonderheden.

     Het gevoelsleven van de hoogsensitieve balanceert tussen diepte en vluchtigheid. Soms lijkt het oppervlakkig, vooral als het gaat om alledaagse situaties. Soms werkt het heel snel, zonder dat het daarmee oppervlakkig hoeft te zijn. En heel vaak zoekt het de diepte en komt dan in de tijdloosheid en de verbondenheid die aan het zielenleven eigen zijn.

 

Individualiteit

 

     Alseen kindnet kan praten benoemt het zichzelf nog niet met ‘ik’. Het duidt zichzelf nog aan met zijn naam, net zoals de andere mensen dat doen. In die zin zou je kunnen zeggen dat het zichzelf nog van buiten af bekijkt.

     Dit wordt anders als het kind zo twee en een half, drie jaar is en ‘ik’ tegen zichzelf gaat zeggen. Dan wordt het zelfbewustzijn geboren. Het kind kan vanaf nu zichzelf beleven van binnen uit. Vanaf nu is er sprake van individualiteit.

     Meteen na het woordje ik duikt het woordje nee op in zijn woordenschat. Blijkbaar passen die woordjes in dezelfde fase en dat is ook wel logisch want bij het zelfbesef hoort het besef iets anders niet te zijn, anders te zijn. Door nee te zeggen kan het kind zich tegen iets afzetten en dat versterkt het zelfbewustzijn. Het kind krijgt nu de neiging zijn eigen willetje door te zetten en probeert anderen voor zijn karretje te spannen. Dit is wat er gebeurt in de zo genoemde ‘peuterpuberteit’.

     In de echte puberteit treedt dan een nieuwe fase op in het zelfbewustzijn. Ook de puber zet zich af tegen de mensen om hem heen en ook hij is erop uit een eigen koers te gaan. Het verschil met de peuterpuberteit is dat de individualiteit zich nu veel meer voordoet in het gevoelsleven. Beleeft de peuter zichzelf vooral in zijn wil, de puber beleeft zichzelf vooral in zijn gevoel. Daarnaast is bij de puber het vermogen tot zelfstandigheid natuurlijk  enorm toegenomen.

     Als het gaat om individualiteit zie ik bij tussenmensen een dubbele tendens. Aan de ene kant kunnen tussenmensen opgaan in anderen en zichzelf verliezen, aan de andere kant kunnen ze juist heel bepalend zijn naar anderen toe en zichzelf onontkoombaar poneren. Aan de ene kant hebben ze dus weinig individualiteit, aan de andere kant juist heel veel. Het sterke individualiteitsgevoel dat veel tussenmensen laten zien, bijvoorbeeld doordat ze bepalend kunnen zijn en doordat ze sterk hun eigen weg willen gaan, wordt voortdurend veroverd op hun gevoel zichzelf kwijt te raken. Hun individualiteit is niet vanzelfsprekend, ze is een thema.

     Dat thema sluit aan bij een algemene tendens in onze cultuur. De sociale verbanden van vroeger, zoals de Kerk, werken niet meer en mensen zijn in deze tijd overgeleverd aan hun eigen ikjes. Ieder lijkt voor zich te leven. Het is begrijpelijk dat veel mensen terugverlangen naar het wijgevoel van voorheen, maar daar ligt, denk ik, de oplossing niet. Ik verwacht veel meer van een andere oplossing: door dat individualisme heen gaan en vanuit het individuele in vrijheid nieuwe sociale verbanden kiezen, aanvankelijk misschien met één persoon, later met kleine, overzichtelijke groepen. Die groepen kunnen dan weer aansluiting vinden met andere groepen die zich elders op deze manier hebben gevormd. Ik beschreef deze mogelijkheid al in hoofdstuk III bij mijn uiteenzetting over de sociologische basiswet. Door de individualiteit zo als thema te stellen lijken tussenmensen mij bij uitstek geschikt om tot die nieuwe vorm aanzetten te geven.

 

Kinderlijkheid

 

     Het valt mij op dat veel tussenmensen in hun vroege jeugd eigenlijk niet zo kinderlijk zijn. Vaak kijken ze kort na hun geboorte al als wijze mannetjes of vrouwtjes de wereld in. Als baby geven ze zich vaak niet over aan het baby-zijn maar lijken ze haast te hebben met hun ontwikkeling. Ze willen al meteen de wereld in. Als ze gaan praten spreken ze vaak al snel in volzinnen en gebruiken ze al snel moeilijke woorden. Het spontane bewegen, dat zo eigen is aan het jonge kind, krijgt bij hen weinig ruimte. Hun bewegingen worden vaak sterk vanuit het bewustzijn gestuurd, wat een zekere stroefheid met zich meebrengt. Op de basisschool hebben ze vaak al kennis die bij een oudere leeftijd past en de twaalfjarige kun je ze soms al aanspreken als iemand van vier jaar ouder. Het komt ook wel voor dat ze hun vroege jeugd min of meer verslapen en in een soort droomtoestand blijven, maar ook dan ogen ze vaak ouder dan ze zijn.

     Daarentegen hebben ze als volwassene vaak nog iets kinderlijks. Einstein bijvoorbeeld, als kind een laatbloeier zonder veel spontane kinderlijkheid, kon als volwassene de wereld met een onbevangen blik bekijken, wat leidde tot een visie op ruimte en tijd die sterk overeenkomt met de ervaring van een kind en die tegelijkertijd een behoorlijk abstract karakter heeft. Dat geldt voor meer tussenmensen. Aan de ene kant kunnen ze met hun onbevangen blik onverwachte vergezichten openen, aan de andere kant krijgt hun uitwerking hiervan al gauw iets abstracts.

     Tussenmensen passen ook al hierin niet binnen de lineaire tijd dat ze als kind vaak ouwelijk en als volwassene vaak kinderlijk zijn.

 

Fixatie

 

     Doordat tussenmensen van nature, om maar even in cameratermen te spreken, in deuitgezoomde stand staan en zich overspoeld voelen door indrukken hebben ze het als tegenwicht nodig sterk in te zoomen, dat wil zeggen zich te focussen of zich te fixeren op één punt. Vaak doet dit zich voor als  een sterke gerichtheid op een bepaalde interesse, vaak ook in het algemeen als een sterke vasthoudendheid. Dat kan leiden tot dwangmatigheid of tot obsessies.

     Een niet te extreme fixatie kan de functie hebben van een soort filter, waardoor de informatie als meer geordend kan worden ervaren. Iemand kan bijvoorbeeld gefixeerd zijn op lampen en via lampen en licht zijn waarneming organiseren. Alles wordt dan binnen dat kader gebracht en zo ontstaat natuurlijk een eenzijdig wereldbeeld maar toch wel een wereldbeeld. Een betrekkelijk onschuldige vorm hiervan kan zich voordoen bij schilders, die sterk gericht zijn op de kleur van licht of op hoe licht op dingen valt.

     Focussen is overigens een voorwaarde om iets bijzonders tot stand te brengen. Iedereen die iets bijzonders tot stand brengt focust. Als zodanig is er dus niks mis met focussen.

     Het valt mij op dat de behoefte aan fixatie toeneemt naar mate iemand meer onveiligheid of stress ervaart. Ook dwangmatigheid lijkt dus gerelateerd aan stress. Als ik dwangmatigheid probeerde te verlichten door me op de dwangmatigheid zelf te richten maakte ik mee dat deze werd versterkt. Verzachting van dwangmatigheid bereikte ik alleen als het mogelijk was het stressniveau te verlagen.

 

Geen vast standpunt

 

     Wat methet vorige punt samenhangt is dat tussenmensen, doordat ze niet sterk in zichzelf verankerd zijn, eigenlijk geen vast standpunt hebben. Hun standpunt kan voortdurend wisselen, letterlijk en figuurlijk, en ze kunnen heel gemakkelijk vanuit een ander standpunt naar iets kijken dan vanuit hun ogen. Dyslexie is hiervan vaak een gevolg. Dit is mooi uitgewerkt door Ronald Davis inDe gave van dyslexie.

    

 Naar een acausale psychologie

 

     Het is binnen veel vormen van psychotherapie gebruikelijk om bij psychisch leed te zoeken naar oorzaken. Bij iemand die geen liefde kan geven wordt dan bijvoorbeeld als oorzaak gezien dat hij of zij geen liefde gekregen heeft van zijn of haar moeder. Wat je niet hebt gekregen kun je ook niet geven, is daarbij de redenering. Om de relativiteit van deze redenering duidelijk te maken zal ik een voorbeeld aanhalen uit mijn eigen werk.

     Ik werkte met een vrouw aan haar innerlijke kind. Het innerlijke kind is het kind dat deel uitmaakt van je eigen innerlijk en dat op een bepaald punt in de ontwikkeling is blijven steken omdat het op dat moment niet de voeding, de veiligheid of de liefde vond die het nodig had om zich verder te ontwikkelen. In het geval van deze vrouw was het innerlijke kind vier jaar. Het zat in het halfdonker op haar bedje en riep eindeloos om haar moeder, die niet kwam. Dat moment had zich vastgezet en nog steeds was er iets in deze vrouw dat riep om liefde, zonder dat er een antwoord kwam.

     Wat kun je doen in zo’n geval? Alsnog de liefde van de moeder halen is vaak niet mogelijk. In dit geval was het gewoon uitgesloten doordat haar moeder al overleden was. Je kunt op dit punt ook meestal niets van anderen verwachten want het verlangen is zo dringend dat het eigenlijk door niemand goed is in te vullen. Bovendien bestaat mensen in deze situatie vaak de overtuiging dat er geen invulling mogelijk is, waardoor ze juist afstoten wat als een mogelijke invulling op hen af komt. Hoe kun je dan alsnog krijgen wat zo noodzakelijk is voor je verdere ontwikkeling? Het antwoord is: je kunt het alleen jezelf geven. Alleen vanuit de rijpere mens die je geworden bent kun je dat kleine kind in jezelf geven wat het nodig heeft.

     Dit was voor deze vrouw niet gemakkelijk dit uit te voeren. Ze probeerde het wel en kreeg daar ook beelden bij, maar uiteindelijk gaf ze aan dat er nog iets tussen zat. Wat ertussen zat was dat het erg ongemakkelijk voelde iets te geven terwijl ze eigenlijk juist het diepe verlangen voelde iets te krijgen. We hebben ons toen, eens te meer, gericht op haar moeder en kwamen erop dat haar moeder er niet veel aan kon doen dat zij haar dochter zo weinig geven kon, aangezien ook zij weer uit een weinig liefdevol nest afkomstig was. Het leek logisch dat dit patroon zich zou blijven herhalen.

     Terwijl we dit bespraken ontstond er een wending in de sessie. Zij begon deernis te voelen voor haar moeder, medelijden omdat haar moeder zelf zo te kort was gekomen. Dat gevoel bracht zo veel warmte en liefde met zich mee dat ze nu opeens wel in staat was het kleine kind in zichzelf te troosten en te koesteren, waardoor ze een gekwetst element in zichzelf genas. De liefde werd hier niet gegeven omdat ze eerst gekregen was, de liefde ontstond ter plekke, welde op als uit een bron. Ik heb de liefde niet gekregen, ik heb haar uitgevonden, zei ze zelf. Ze ervoer het als een bijna mystiek gebeuren dat liefde zo uit het niets op kan wellen. Die ervaring bracht een beslissende wending in haar therapeutische proces.  

     En ik moest denken aan de baron von Münchhausen, de held uit een verhaal dat ik als kind gelezen had. Deze baron maakte allerlei absurde zaken mee, waaronder dat zijn paard als gevolg van een of andere oorlog doormidden was gesneden. Het had geen achterkant meer en dit had tot gevolg dat het eindeloos kon drinken. Het water liep er immers aan de achterkant weer uit. Ik herinner me nog de illustratie die erbij stond en die toonde hoe de baron vol onbegrip op dit halve paard zat, dat nog keurig overeind stond. Een andere illustratie toonde hoe hij reisde op een kogel. Maar dat waren niet de passages waar het mij hier om gaat. Waar het mij hier om gaat is de passage waarin verteld wordt dat de baron in een moeras terecht komt en daar steeds verder in wegzakt, zonder dat er ergens hulp voorhanden is. De baron begint zich ernstig zorgen te maken, maar opeens krijgt hij een idee. Waarom zou hij niet zichzelf aan zijn haren uit het moeras trekken? Hij verheft zijn arm, pakt zijn haren vast en ja, daar heeft hij zijn lichaam al uit de zuigende ondergrond weg getrokken. Probleem opgelost.

     Wat deze vrouw had gedaan was iets dergelijks. Er was niemand anders die haar uit het moeras van de liefdeloosheid kon bevrijden, dus deed ze het maar zelf. En vond daarmee de liefde uit.

     Blijkbaar onttrekt liefde zich aan de logica van oorzaak en gevolg. Blijkbaar kan liefde zo maar ontstaan vanuit het nu, dat geen tijd kent. En blijkbaar kun je psychisch leed goed oplossen zonder te denken in oorzaken en gevolgen.

     Er is bij psychisch leed meestal wel de beleving van een oorzaak en die beleving moet serieus worden genomen. Je kunt ook wel iets met oorzaken in therapeutische zin. Maar oorzaken hebben ook weer oorzaken en zo kun je eindeloos verder teruggaan in het verleden zonder ooit een vast punt te vinden. Mijn idee is: als je naar een mogelijke oorzaak kijkt zie je slechts een bepaalde laag. Je ziet dan slechts wat in de tijd gebeurt, terwijl de werkingen die niet aan tijd gebonden zijn vaak veelomvattender zijn. De ziel zelf, zij kent geen tijd.

     In de casus die ik aanhaalde bijvoorbeeld bracht de vrouw als jong kind zelf al zo’n intense gretigheid naar liefde mee dat er voor de moeder geen beginnen aan was dat verlangen te vervullen. In die zin kun je zeggen dat zij met haar haast onvervulbare verlangen er de oorzaak van was dat haar moeder haar geen liefde kon geven. Maar ook die gretigheid had weer een oorzaak: ze had de eerste maand van haar leven in een couveuse doorgebracht. En ook dat had natuurlijk weer een oorzaak. Steeds weer als je een oorzaak gevonden hebt moet je erkennen dat die oorzaak zelf weer een oorzaak heeft.

     Liever dan te denken in oorzaken en gevolgen denk ik in thema’s. Ik zal uitleggen wat ik daarmee bedoel.

 

1)      Het is mijn idee dat iedereen bepaalde thema’s heeft in zijn leven, die steeds terugkeren. Vaak is één thema het basisthema. Een thema impliceert altijd een polariteit, bijvoorbeeld niet gezien worden en wel gezien worden, beweging en remming, verzorging en verwaarlozing. In de door mij aangehaalde casus is het thema geen liefde krijgen en geen liefde geven.

2)      Vaak kun je zo’n thema op het spoor komen door te letten op waar iemand zijn waarden op legt. Hecht iemand bijvoorbeeld veel waarde aan nauwkeurigheid, dan kun je ervan uitgaan dat nauwkeurigheid tegenover slordigheid een thema voor hem is en dat hij ook af en toe slordig zal zijn. Hecht iemand veel waarde aan seksuele ethiek, dan kun je ervan uitgaan dat seksuele ethiek tegenover seksuele losbandigheid een thema voor hem is en dat hij ook een neiging tot seksuele losbandigheid in zich heeft.

3)      Daarbij  beleef je vaak aan jezelf de ene pool en aan iemand anders de andere. Iemand die als kind overbeweeglijk is bijvoorbeeld heeft heel vaak een moeder die hem afremt. En dat is maar goed ook want anders zou hij doorschieten. Hij lijdt weliswaar aan de remmende werking van de moeder maar is er tegelijkertijd zelf debet aan, tenminste als je het vanuit een hoger standpunt bekijkt. Ook zonder die moeder zou hij vaak remming tegenkomen in zijn leven. Je zou kunnen zeggen: hij laat de ene pool als een soort rol door zijn moeder spelen terwijl hij de polaire rol voor zijn rekening neemt. Maar beide rollen horen bij zijn thema en dus bij hemzelf. Ongeacht zijn moeder zal hij zelf met die polariteit in het reine moeten komen. Hij zal in zijn leven moeten leren zijn bewegingsdrang te sturen, zo te sturen dat die vruchtbaar wordt. De vrouw uit mijn voorbeeld moest, ongeacht haar moeder, leren hoe ze liefde geven en liefde vragen in evenwicht kon brengen.

     Pas dan kon ook haar relatie met haar moeder vruchtbaar worden.

     Een variatie. Erger ik mij aan een ander, dan geef ik die ander een rol terwijl ik zelf de tegenovergestelde rol speel. Blijkbaar is er een thema tussen die ander en mij en om dat thema vruchtbaar te maken moet ik goed in mijzelf kijken naar datgene wat ik in die ander afwijs.

    

     Ook via een ziekte of via een droom kun je je tegenpool tegenkomen. De vruchtbare weg is dan om te erkennen dat je die tegenpool ook bent, dat hij tot je thema behoort, en dat je hem in evenwicht moet brengen met de positie die je bewust gekozen hebt.

     Een ziekte is dan geen straf meer, geen gevolg van een oorzaak die je zelf hebt geschapen, maar gewoon een mededeling. Iets waardoor je een nieuw bewustzijn kunt ontwikkelen, waar je van kunt leren en waardoor je verder kunt komen. Je hoeft bijvoorbeeld, als je buikpijn hebt, jezelf niet te verwijten dat je te veel gegeten hebt, waardoor je de buikpijn veroorzaakt hebt. Misschien is het zelfs eerder zo dat je onbewust met dat vele eten de buikpijn hebt opgeroepen omdat het aan de orde was ervan te leren. Hoe dan ook, het gaat om de mededeling die de buikpijn in petto heeft, het gaat erom die mededeling, als een polaire aanvulling bij je bewust gekozen positie, een plaats te geven. Schuldgevoel helpt daar niet bij, in tegendeel.

     Vaak heb ik meegemaakt dat cliënten lichamelijke pijnen als een mededeling konden begrijpen met als inhoud: je hebt een lichaam. Waarbij het thema was: lichamelijk zijn en in je hoofd leven.

 

     In boeken over de bijna-dood-ervaring kom ik regelmatig tegen dat de persoon die deze ervaring ondergaat in een flits terugkijkt op zijn leven en de ontmoetingen die hij heeft gehad. Het opvallende is dat hij daarbij niet alleen doorvoelt wat hij zelf aan die ontmoetingen beleefd heeft maar ook hoe het voor de ander was. Wat Rudolf Steiners schrijft over belevingen die mensen kunnen hebben na hun dood komt hiermee overeen. Kennelijk staan in de zielenwereld de eigen belevingen binnen een contact niet los van de andere persoon, vormen zij een niet van elkaar los te maken geheel.

     Welnu, dan kunnen in een op de ziel gebaseerde psychologie de eigen persoon en de ander ook niet als los van elkaar worden gezien, iets wat trouwens volledig aansluit bij de alledaagse beleving van veel tussenmensen. De rol die de ander in je leven speelt kun je ook binnen je eigen innerlijk terugvinden en als je hem daar integreert komt dat de relatie ten goede.

     De thema-visie die ik net heb gepresenteerd is hiervan een logische consequentie.

 

     Ik ben mij ervan bewust dat al deze gegevens nog nader uitgewerkt kunnen worden, maar in dit kader zou dat te ver voeren.