Buitenkant en binnenkant

   

Buitenkant

 

    Stel je voor je komt in een onbekende stad. Als je het tenminste een stad kunt noemen, want er zijn grote leemten tussen de bebouwing, die eigenlijk ook geen bebouwing is. Er is eerder sprake van schotten, bedekt met een soort verendons. Ook in andere opzichten ontbreekt het aan herkenningspunten. De mensen hebben daar bijvoorbeeld groene gezichten, als het tenminste mensen zijn, want je hoort ze niet praten. Ze hebben geen echte kleren, alleen een rubberachtig omhulsel, als een tweede huid. Je ziet geen verschil tussen mannen en vrouwen, als er tenminste van mannen en vrouwen sprake is. Zo niet, vraag je je af, hoe planten ze zich dan voort? Planten ze zich eigenlijk wel voort?

    Je loopt verder tussen die wezens door, waarbij je op geen enkele manier merkt dat ze je waarnemen. Zo weet je niet hoe je overkomt. Dat je ook niet weet wat je van hen kunt verwachten maakt dat je zeer op je hoede bent.

    Je bereikt een min of meer open vlakte, waar veel van die wezens verzameld zijn. Wachten ze ergens op? Dat er een tijd lang zo goed als niets gebeurt roept spanning op. Opeens gaan ze allemaal los van de grond, sommige wat hoger, andere wat lager. Terwijl jij bang bent dat ze zullen vallen staan ze daar gewoon in de lucht, waarna ze langzamerhand gaan trillen. Tegelijkertijd komt de grond onder je voeten in trilling. Een moeilijk te benoemen sfeer komt over je en je knieën knikken.…

    In een droom zou je wel eens zoiets mee kunnen maken.

 

    Hoe zou je reageren?

    Als ik er niet in zou slagen te vatten wat er om me heen gebeurde zou ik in ieder geval gedesoriënteerd raken. Hardnekkig zou ik zoeken naar een betekenis, alsof mijn leven ervan afhing, en dat zou mij veel onrust brengen. Ik zou de stuwing in mijn lichaam voelen, maar ik zou niet goed met mijn lichaam verbonden zijn. Doordat ik geen houvast zou ervaren aan de wereld om mij heen zou ik ook het houvast aan mijzelf min of meer verliezen. Ik zou bang zijn overspoeld te raken door wat er om mij heen gebeurde.

 

    Stel je voor dat er dan iemand op je af zou stappen die in je eigen taal zou melden dat je op een filmset was terechtgekomen, midden in een opname. Meteen zou er een soort licht komen in je geest en je zou je een stuk steviger voelen. Die vage sfeer zou meteen verdwenen zijn. Vervolgens zouden er vragen in je opkomen, bijvoorbeeld hoe het mogelijk was dat die wezens zich van de grond konden verheffen. Je zou je gesprekspartner daar vragen over kunnen stellen en als hij zou antwoorden dat ze allemaal met een boven hen geconstrueerd rooster verbonden waren, via een in schutkleur beschilderde kabel, en dat een geavanceerd mechanisme hen omhoog getrokken had en in trilling bracht, een trilling die op de bodem inwerkte doordat het trilapparaat gewoon op de bodem stond, dan zou je gerustgesteld zijn. Je wereldbeeld zou niet zijn aangetast. Je houvasten zouden terug zijn. Je zelfbeeld zou zich herstellen.

    Met een nuchtere, scherpe blik zou je nu naar je omgeving kijken. De contouren van de dingen zouden scherper worden en je zou ze weer buiten je kunnen plaatsen. Je zou er niet meer door worden overspoeld. Maar de sfeer is weg.

    Als je geconfronteerd wordt met iets dat je niet kunt plaatsen of bevatten vervloei je ermee, wat ook je zelfbeleving aantast. Het kennen plaatst datgene dan weer buiten je, waardoor je zelfbeleving zich herstelt.

 

Binnenkant

 

    Maar dat is nog niet het hele verhaal.

 

    Als de dingen eenmaal buiten je zijn geplaatst ken je ze dan werkelijk?

    Ja, je kunt ze duiden, de denkbeelden die je erop loslaat kunnen toepasbaar blijken en zo kun je ze hanteren en manipuleren. Maar het komt mij voor dat daarbij toch nog een bepaalde laag ongekend blijft.

    Je duiding zegt vooral iets over jouw begrippenkader en over de manier waarop jij de dingen wilt hanteren, maar zegt nog niet zo veel over de dingen zelf. Zo lang de werkelijkheid nog een uiterlijke voor je is mis je toch zoiets als…. een binnenkant.

    Ik zal proberen dit te verduidelijken met een voorbeeld.

 

    Ik was met mijn vrouw in Drenthe en we bezochten daar hunebedden, omdat wij geïnteresseerd waren in hun geschiedenis en hun functie. We hadden allerlei vragen over hoe ze gebouwd waren en waarom en vonden in de beschikbare literatuur, gebaseerd op de gangbare wetenschap, weinig antwoorden die ons bevredigden. Bij de manier waarop de plaatsing van die enorme dekstenen verklaard werd trof het mij bijvoorbeeld dat volledig vanuit het huidige perspectief werd gedacht. Er zou sprake zijn geweest van opgeworpen hellingen, van de trekkracht van grote hoeveelheden  slaven, van boomstammen die onder de keien waren geplaatst en van een moeizaam omhoogsleuren. Wat de functie betreft hield men het op grafmonumenten, hoewel er nauwelijks overblijfselen zijn gevonden die hierop wijzen.

    Aan de andere kant was daar die oude man met lange grijze haren die we bij een van die hunebedden ontmoetten en die ons vertelde dat het betreffende hunebed deel uitmaakte van een groot, over het landschap verbreid lichaam, waarvan de andere lichaamsdelen verloren waren gegaan, al kon hij nog wel overblijfselen aanwijzen. Dat grote lichaam had volgens hem cultische doeleinden, de mensen hadden daar vroeger hun gemeenschappelijke verbondenheid met het goddelijke beleefd. Begraven werd er volgens hem niet in deze cultische bouwsels. Dat gebeurde in de nabijgelegen grafheuvels.

    Mijn vrouw heeft gevoelige handen en probeerde via aanraking een soort informatie aan de enorme keien te ontlenen. Als ik dat deed voelde ik gewoon de kei, de kou die ervan uitging, de textuur, hetgeen voor mij onbevredigend was. Op een gegeven moment echter veranderde er iets. Het idee kwam in mij op dat mijn aanraking alleen op de buitenkant van de kei was ingesteld, op de huid zogezegd, en dat ze miste wat zich binnen die huid bevond.

    Een gangbare wetenschapper zou, uitgaande van deze vraag, geneigd kunnen zijn het antwoord te zoeken in het openhakken van de kei en hij zou kunnen denken daarmee de binnenkant zichtbaar te hebben gemaakt. Echter, dan zou die binnenkant geen binnenkant meer zijn maar een nieuwe buitenkant. Het antwoord op de vraag naar de binnenkant zou op die manier niet kunnen worden gegeven.

    De manier waarop ik een antwoord zocht was af te zien van de ogen, die toch niet door die huid heen kunnen dringen, en mij te concentreren op mijn verbeeldingskracht. Waarop meteen het beeld in mij opkwam van de ruimte binnen de kei, een ruimte waar kronkelige lichtlijnen liepen die met elkaar verbonden waren, een soort krachtlijnen, waarin zich als het ware de ‘ruimtespanning’ binnen die kei manifesteerde en waar energie van uitging.

    Kon ik iets met dat beeld? In ieder geval maakte het dat ik nu energie van de steen voelde uitgaan en dat mijn handen, die verkild waren door de van de steen afkomstige kou, warmer werden. Ze werden ook gevoeliger, doorlaatbaar als het ware. Mijn lichaam kreeg er meer energie door en ook mijn lichaam voelde doorlaatbaarder. En de kei, die was nu iets geworden waarmee ik in verbinding stond, waarmee ik contact had, die mij iets ‘zei’. Het bracht een zekere vertrouwdheid met zich mee, intimiteit bijna. Al met al was dit een prettige gewaarwording.

    Misschien berustte deze ervaring gewoon op fantasie. Maar het was voor mij een mogelijkheid om de binnenkant van een ding mee te maken, waarvan de ogen alleen de buitenkant kunnen waarnemen.

    Ogen zijn afhankelijk van licht dat door de oppervlakte van een ding weerkaatst wordt. Wordt het nacht en is er geen licht terug te kaatsen, dan zie je het ding niet meer, ook al is het nog steeds werkelijkheid. Om iets zinvols over het ding te zeggen kun je nu niet meer op je ogen vertrouwen. Vertrouw je vervolgens op je tastzin en beleef je ook daarmee alleen de huid van het ding, dan heb je je tastzin aan het oog ondergeschikt gemaakt. Doe je dat niet, dan kun je behalve de huid ook voelen wat door die huid omspannen wordt.

    Dat is goed merkbaar wanneer je een mens aanraakt. Wanneer ik bijvoorbeeld liefdevol mijn vrouw aanraak voel ik niet alleen haar huid en haar grens, maar vormt zich in mij ook een diffuus beeld van haar binnenkant en voel ik haar energie. Ook met haar binnenkant en haar energie heb ik dan contact, maar die ken ik niet op dezelfde manier als haar buitenkant. De kennis van de buitenkant is op een wakkere manier bewust. De kennis van de binnenkant ervaar ik als dromeriger, als bewust op een droomachtige manier.

    Objectief (en wakker) waargenomen dingen worden objecten, worden materie. Wat bij het hunebed gebeurde was dat ik van de kei als materie overschakelde naar de kei als beleving.

    Het lijkt een beetje op wat kwantumfysici meemaakten in de jaren twintig van de twintigste eeuw, toen ze zich richtten op de binnenkant van het atoom en ontdekten dat het materie-zijn van het atoom in dat subatomaire gebied relatief werd en dat je hier ook van energie kon spreken. Het materiële bleek gewoon een manier van kijken. 

    Daarmee kwam ik naar mijn idee dichter bij de hunebedbouwers zelf, die nog geen materie kenden omdat ze nog niet op een uiterlijke, puur visuele manier waarnamen. Dat uiterlijke, objectieve waarnemen ontstond pas in de Griekse Oudheid, zo rond 500 voor onze jaartelling, terwijl de hunebedbouwers in het algemeen rond 2500 voor onze jaartelling gedateerd worden. Ook de hunebedbouwers beleefden hun keien dus nog niet als materie en het lijkt mij mogelijk dat ze daardoor nog geen last hadden van de zwaartekracht, die een typisch materiële wetmatigheid is. Waardoor ze die enorme keien veel gemakkelijker konden verplaatsen dan wij op grond van ons materiebegrip en de daaraan gekoppelde zwaartekracht zouden denken. Wat een antwoord zou zijn op veel vragen die er omtrent de bouw bestaan.

           

    Het duiden van deze ervaringen brengt mij op de gedachten dat:

-      er naast een wakker bewuste kennis een droomachtige kennis bestaat,

-      dat de dingen behalve een buitenkant ook een binnenkant hebben

-      dat de objectieve waarneming alleen de buitenkant van het ding waarneemt en daarmee het materiële aspect van het ding,

-      dat je over die binnenkant alleen iets te weten kunt komen als je niet blijft staan bij de ogen maar werkelijk met het ding in contact treedt (waarbij je verbeeldingskracht nodig hebt)

-      en dat het openingen kan bieden wanneer je bij het bestuderen van de geschiedenis afziet van het hedendaagse perspectief.

 

Anatomie

 

    Nog even iets meer over die binnenkant.

    In de geschiedenis van de mensheid is ‘binnenkant-buitenkant’ eeuwen lang geen thema geweest. Omdat de mensen eeuwen lang, ook al kenden zij wel woorden voor binnen en buiten, zich niet zodanig bewust waren van een binnenkant als wij nu. Dat meen ik tenminste te kunnen afleiden uit de geschiedenis van de schilderkunst.

    Afbeeldingen waren eeuwen lang vlak, in de zin dat er geen diepte werd gesuggereerd. (Met als uitzondering de primitieve grottekeningen, waarbij gebruik werd gemaakt van het natuurlijke reliëf van de wanden.) Suggereer je geen diepte, dan kun je ook geen volume suggereren. En dus ook geen binnenkant. De afbeeldingen boden beelden en beelden als zodanig hebben geen dimensies, zoals moge blijken uit de droom, die bijna uitsluitend uit beelden bestaat en waarbinnen geen sprake is van een concrete ruimtelijkheid. Bij een concrete, meetbare ruimtelijkheid horen objecten. In een droom zijn er geen objecten. In de droom bestaan alleen beelden.

    Dat bij deze afbeeldingen niet van objecten sprake was blijkt ook uit de manier waarop lichamen werden weergegeven. Kijken we bijvoorbeeld naar de Byzantijnse schilderkunst met haar iconen, voortgekomen uit de oude Romeinse cultuur, die weer stoelde op Egyptische voorbeelden, dan zien we vooral prachtig gedrapeerde gewaden, zonder enige suggestie van een concrete lichamelijkheid die eronder zou kunnen zitten. De gezichten bestaan uit schematisch weergegeven lijnen.

    Kort na 1300 kwam er echter een einde aan de vlakke weergave. Toen maakte de Italiaanse schilder Giotto di Bondone voor het eerst afbeeldingen waarbij welvingen onder het gewaad werden gesuggereerd en waarbij het gezicht eveneens welvingen vertoonde, terwijl er een duidelijk onderscheid bestond tussen voorgrond en achtergrond. Daarmee introduceerde hij de concrete ruimtelijkheid in de schilderkunst, iets wat binnen de kortste keren door bijna alle Europese schilders werd overgenomen. Al snel ontwikkelde zich dit tot het centraalperspectief, waarin het hele schilderij gestructureerd werd vanuit één perspectief en waarin de concrete ruimtelijkheid op mathematische wijze werd verankerd. Tot kort vóór 1900 heeft het centraalperspectief voor zo goed als alle westerse schilderkunst de structurele basis gevormd.

    Kennelijk was het aan de tijd de mens als een fysiek wezen te gaan zien, een wezen dat beantwoordt aan de wetten van de concrete ruimtelijkheid, een wezen met volume, met vulling. Waarmee natuurlijk meteen de vraag ontstond wat nu de aard van die vulling was. Wat zat er aan de binnenkant? Eerder was het menselijk lichaam nog niet als gevuld gezien, was het nog plat, was het nog beeld, was het nog beleving. Nu werd het een objectief observeerbaar iets, een buitenkant. Waarbij de beleving op de achtergrond raakte, want observeren, dat is een beetje afstand nemen. 

    De manier waarop de Bolognese arts Mundinus op zoek ging naar de binnenkant was het lichaam open te snijden. Waarmee hij een eerste aanzet gaf tot wat later, vooral onder invloed van Vesalius, de anatomie werd zoals wij die kennen.

    Eerder sneed men nog niet in menselijke lichamen. Eerder baseerde men de kennis van het menselijke lichaam op Galenus, een Grieks-Romeinse geneesheer uit de tweede eeuw, die weliswaar dieren opensneed maar het menselijk lichaam ongerept liet. Zijn beeld van het menselijk lichaam komt dan ook nog weinig overeen met wat later door Vesalius bij zijn secties is waargenomen. Het lichaamsbeeld van Galenus was een beeld van het gesloten lichaam. Het lichaamsbeeld van Vesalius was op het geopende lichaam gebaseerd. En het was Mundinus die, even na 1300, de aanzet gaf tot dit tweede lichaamsbeeld.

    Even na 1300. In dezelfde tijd dus als waarin de eerste volumeschilderijen van Giotto tot stand kwamen.

 

Verbeelding

 

    De moderne medische wetenschap is nogal juichend over dit ontstaan van een op observatie berustend lichaamsbeeld. Ze stelt dat door dit nieuwe beeld een illusie, die eeuwen lang in stand gehouden was en die berustte op gebrek aan inzicht en waarnemingsvermogen, eindelijk plaatsmaakte voor de objectieve waarheid. En dat warrige speculaties het veld moesten ruimen voor feiten.

    Maar de geneeskunde van Galenus heeft al die eeuwen wel degelijk vruchten afgeworpen. En de op de anatomie gebaseerde geneeskunde heeft ook zo haar beperkingen. Bijvoorbeeld dat bij dit anatomische onderzoek naar de binnenkant die binnenkant zelf verloren ging.

    Want wat gebeurde er met de binnenkant toen men ging snijden? De binnenkant werd een nieuwe buitenkant. Ook de binnenkant vertoonde zich nu aan het oog en daarmee werden de processen die daar plaatsvonden en die van nature geslotenheid nodig hebben verstoord. Of, om het nog concreter uit te drukken: als je in een lichaam gaat snijden gaat dat lichaam vroeg of laat dood. Als je in een ader gaat snijden kan er geen bloed meer doorheen vloeien. Als je een maag opent kan hij geen voedsel meer verwerken. Het is niet voor niets dat de anatomie werd toegepast op dode lichamen. De anatomie trok haar conclusies dan ook niet zo zeer uit het menselijk lichaam als wel uit het menselijke lijk. Terwijl de geneeskunde van Galenus wel degelijk van het levende lichaam uitging.

    Tegelijkertijd met het binnen werd door de anatomie van Mundinus en Vesalius het leven uit het lichaam verdreven. Het lichaam werd een dood, materieel object.

    ‘Maar wat bedoel je dan met dat binnen?’ kan de gangbare wetenschap mij vragen. Tja. Ik kan daar geen antwoord op geven dat door diezelfde wetenschap geaccepteerd zal kunnen worden, want zij heeft dat binnen juist verwijderd. Wat ik niettemin kan antwoorden is: ‘Het subject, de beleving, de bezieling, de ziel. Al datgene waar ik zo benieuwd naar was toen ik op de universiteit college ging lopen in het vak psychologie, maar wat ik er niet gevonden heb. De innerlijke roerselen.’

    Waarop de volgende vraag kan zijn: ‘Maar hoe kun je dan dat binnen benaderen?’ Mijn antwoord is: ‘In ieder geval door het binnen het binnen te laten. Dus onzichtbaar.’ Met de ogen komen we hier niet verder, die zien alleen het licht dat op het oppervlak van de dingen weerkaatst wordt. Zij zien slechts de huid en niet wat door de huid omsloten wordt. Wij moeten hier onze toevlucht nemen tot een menselijk  kenvermogen dat aansluit bij de manier waarop vóór 1300 het lichaam werd weergegeven: als een beeld. (Ik bedoel daarmee niet het beeld in de zin van een plastiek maar in de zin van een imaginatie.) Met een beeld ga je om op een beeldende, imaginatieve manier. Je gebruikt daarbij je verbeeldingskracht.

    Die verbeeldingskracht kan zich in dit geval richten op de gewaarwordingen die je aan je lichaam hebt. Heb je buikpijn, dan ga je met je aandacht naar die buikpijn en als je je afvraagt wat voor buikpijn het is zullen er vanzelf beelden bij je opkomen. Je antwoord kan bijvoorbeeld zijn: het is een klemmende buikpijn, er klemt iets. Waarbij je een klemmende werking voor je kunt zien tussen twee naar elkaar toe bewegende, vrij harde, steenachtige dingen. Je merkt dat de concentratie op dat klemmen het klemmende gevoel sterker maakt en je hebt de neiging je aandacht af te wenden om dit niet te hoeven voelen. Maar houd je je aandacht in stand, dan kun je merken dat er iets verandert, dat jouw open aandacht voor dit onbehaaglijke de onbehaaglijkheid ervan doet afnemen. En dan kan het zijn dat die steenachtige klemmen losser worden, uit elkaar gaan, dat de buik ontspant. En dat de buikpijn verdwijnt.

    Ook dit zie ik als kennis. Imaginatieve kennis maar wel kennis.

    De gangbare wetenschap beschouwt als kennis wat objectief waargenomen en vervolgens gemanipuleerd kan worden. Rudolf Steiner beschouwde als kennis het over elkaar heen schuiven van een uiterlijke en een innerlijke werkelijkheid. Van enerzijds de waarneembare buitenwereld en anderzijds het menselijk denken dat hierbij van binnen uit de passende ideeën vindt. Voor een deel volg ik Steiner.

    Ik volg Steiner in die zin dat ook voor mij kennis berust op het over elkaar heen schuiven van twee werkelijkheden. Maar ik beperk mij niet tot het objectief waarneembare als het gaat om wat onderzocht kan worden, ik betrek hier ook gewaarwordingen en gevoelens bij. En ik beperk mij niet tot ideeën als het erom gaat van binnen uit passende antwoorden te vinden op het onderzochte. Ik betrek hier ook andere antwoorden bij, zoals beelden, klanken en woorden.

    Kennis die berust op ideeën kan heel wakker zijn. Kennis die op verbeelding berust is veel minder wakker, is eerder dromerig. Maar voor zo ver kennis het over elkaar heen schuiven is van de werkelijkheid van de waarneming (of de ervaring) en de innerlijke werkelijkheid kan ook dromerige kennis wel degelijk kennis zijn. En dat ook dromerige kennis tot resultaten kan leiden kan iedereen zelf ondervinden wanneer hij  bijvoorbeeld uitprobeert wat ik net heb geschetst ten aanzien van die buikpijn.

 

    Een groot voordeel van de kennisvorm die op verbeelding berust is naar mijn idee dat deze kennisvorm ook toegang heeft tot gebieden of onderwerpen die voor een meer verstandelijke kennis ontoegankelijk zijn en die daarom als illusie terzijde worden geschoven. Ik noemde al de binnenkant van het lichaam. Ik kan daaraan onderwerpen toevoegen als gevoelens (liefde bijvoorbeeld), energie (in de zin van een niet-materiële werking), leven, beweging en groei.

 

De graalmaan

 

    Misschien dat de volgende imaginatie iets meer duidelijk kan maken over de beeldende kennis waarvan ik net een schets heb gegeven. De imaginatie betreft de maan, een hemellichaam dat binnen de mythologie vaak met kennis in verband is gebracht omdat het licht van de zon erdoor gespiegeld wordt.

 

    Kijk ik naar de maan, dan zie ik licht, een zilverachtig licht. Door dit licht wordt de maan zichtbaar. De maan wordt zichtbaar doordat zij licht weerspiegelt.

    Maar dit weerspiegelde licht zegt mij nog weinig over de maan zelf, het attendeert mij alleen op haar huid. Ook die huid zelf neem ik niet waar, ik merk alleen dat hij er is door het weerspiegelde licht.

    Wil ik meer kennis van de maan zelf, dan moet ik dus afzien van dit licht. Gelukkig helpt zij mij zelf hierbij doordat zij slechts een kort moment als geheel het licht weerkaatst. Dat doet zij slechts als wij haar vol noemen. Als zij vol is is zij maximaal zichtbaar, maar voor mij minimaal kenbaar. Maar dan gaat de volle maan voorbij en verschijnt er, aan haar rechter kant, een donker plekje. Ha, een donker plekje, denk ik. Het geeft rust aan mijn ogen.

    Heel vaag is de omlijning van dat donkere plekje nog te zien en ik weet dat de maan daar niet weg is, dat zij daar alleen onzichtbaar is. Ik heb het gevoel dat ik haar vooral via dat donkere plekje nader kan komen en ik concentreer me op dat donkere plekje. Mijn ogen kan ik daarbij niet gebruiken want die zien daar niets. Ook op andere zintuigen kan ik mij niet verlaten, ik kan haar bijvoorbeeld niet horen of aanraken. Dus doe ik een beroep op mijn verbeelding.

    Wat ik dan beleef is dat ik tot de maan door kan dringen, hoe ver zij ook van mij verwijderd is, dat ik dat donkere plekje binnen kan gaan. Dat ik zo binnen de ruimte kan komen die door haar huid omsloten wordt, ook achter het weerkaatste licht. Daarbij voel ik mij met de maan verbonden en in de intimiteit van dit samenzijn laat zij mij iets van haar kracht beleven, een stille, sterk innerlijke kracht. Dat die kracht ook naar buiten uitstraalt is niet als zodanig bedoeld maar komt gewoon door wie zij is. En die uitstraling berust niet op weerkaatst licht maar is een onzichtbare werking in de ruimte. Die werking hoeft geen afstand te overbruggen, Zij is gewoon aanwezig binnen het contact.

    Zoek ik hierbij woorden, dan komt als eerste in mij op: geborgenheid. Mijn associatie is daarbij een baarmoeder. Het heeft iets moederlijks, iets vrouwelijks. Dan: stilte, rust, verbondenheid. Dan: oplading, voeding. Het is een koele kracht, verzachtend. Een kracht die eerder invloed heeft op water dan op vuur. Die in wisselwerking staat met de vurige kracht van de zon.

    ‘Kom hier met je vuur,’ lijkt zij te zeggen, ‘en ik zal het omzetten in groeikracht.’

    Hier ontstaan de dingen. Hier zijn de dingen voordat ze dingen worden, hier leven ze als oerbeelden. En hierheen moet ik terug om de concrete dingen vanuit hun oerbeelden te begrijpen.

    Voor mij berust hierin het wezenlijke van de maan en is de zichtbare maan slechts een beeld van dit wezenlijke. 

   

    Ik kan mij voorstellen dat je nu je schouders ophaalt. Want objectieve kennis is dit allerminst, dit werd zeer beïnvloed door mijn subjectiviteit. Het gaat er ook niet om dat je deze beelden van mij overneemt. Maar misschien kunnen ze wel iets toevoegen aan wat wij tot nu toe van de maan denken te weten.

    Eerder had Rudolf Steiner een imaginatie van de maan. Hij zag de maan in de fase na haar volheid als de graal, het mysterieuze vat van volheid uit Middeleeuwse verhalen. Daarbij impliceerde hij zowel een kennisaspect als een aspect van voeding bieden. Misschien is mijn imaginatie door de zijne beïnvloed, maar dat geeft niet. Verschillende imaginaties kunnen elkaar juist aanvullen en versterken.

     Mocht je deze imaginatie terzijde willen schuiven omdat ze niet op een concreet waarneembare werkelijkheid berust, dan is mijn antwoord  dat het nu juist mijn bedoeling was informatie te zoeken die de concrete waarneembaarheid aanvult.

 

Nogmaals: de troubadours

 

    Vooral zeven dichters rond de ‘gai saper’ hebben in de troubadourskunst een vorm van kennis gezien, een vreugdevolle kennis. Een kennis die vreugdevol was omdat zij ontstond uit een liefdevolle betrokkenheid.

    Die kennis was niet objectief. Ze was juist welbewust subjectief, werkte sterk via gevoelens, heel weinig via de ratio. En haar medium was niet het idee of de gedachte maar het gezongen woord, waarvan door de muzikale invalshoek het betekenisaspect op de achtergrond raakte, ter wille van het klankaspect. Dat klankaspect maakte het mogelijk het woord als het ware boven zichzelf uit te tillen, uit te tillen boven het aanduiden van het materiële ding. De bezongen vrouw was geen materieel ding, maar een levend wezen met een enorme uitstraling, een wezen bij wie heel veel ziel door de lichamelijkheid stroomde, een wezen van een hogere orde.

    Sommige troubadours legden wat meer nadruk op de ziel en voor hen was het concrete bestaan van de domna min of meer bijzaak. Andere legden meer nadruk op het lichamelijke, zoals de eerste onder hen, Giaullaume IX. Maar uiteindelijk ging de aandacht van de troubadours uit naar precies het raakvlak tussen lichaam en ziel en om dat weer te geven was het gezongen woord het ideale medium. Sloten nu de gezongen woorden aan bij de uitstraling van de domna, dan was het lied geslaagd en kon, doordat een uiterlijke werkelijkheid en een innerlijke over elkaar waren geschoven, in zekere zin van kennis worden gesproken. In ieder geval kon de domna zich dan gekend en erkend voelen, zodat ze misschien bereid was de lang verwachte sacrale kus toe te dienen.

     

    De verheffing van de vrouw maakt haar uiteindelijk tot Sofia. De Sofia was het ideale schepsel, de vrouwelijke kant van God tijdens de schepping. God was de schepper en in de Sofia concretiseerde de schepping zich. In die zin was zij de bron van alle aardse manifestaties. Wist de troubadour dit Sofia-aspect in zijn domna te raken, dan straalde het af op de hele schepping. Vooral de kwinkelerende vogels (beeld voor de zanger zelf) en de ontluikende bloemen (beeld voor de domna) raakten dan een snaar in de troubadour. Heel mooi is dit onder woorden gebracht door Bernard de Ventadorn, die ik al eerder heb geciteerd. Ik zal dat citaat hier aanvullen met de regels die eraan voorafgaan.

   

  Wanneer het frisse kruid en het blad verschijnen

  en bloemen in de tuinen bloeien,

  wanneer de nachtegaal helder en hoog,

  zijn stem verheft en zijn gezang laat trillen,

 

  dan heb ik vreugde aan hem en vreugde aan de bloem,

  en vreugde aan mijzelf en nog grotere aan mijn domna.

  Van de vreugde rondom ben ik sleutel en zin,

  maar de vreugde uit haar is van alle vreugde de bron.

 

  Het heeft een bepaalde grootsheid en zeker brachten deze liederen een nieuw element in de westerse cultuur. Maar de troubadourskunst was vooral aanzet, nog geen vervulling. Deze lyrische zangers waren nog niet in staat om zelf de consequenties te trekken uit de nieuwe stap die ze introduceerden. Ze waren nog niet in staat de extatische vreugde die ze aan de domna beleefden in het concrete contact uit te werken.

  De beleving van de troubadour zelf kreeg in deze liederen nog veel meer ruimte dan wat zijn domna kenmerkte of wat mogelijk door haar heen ging. Zo gaf hij blijk van verinnerlijking en dat was nieuw. Hij kon echter nog niet vanuit die verinnerlijking het contact verdiepen en van daar uit aan de wereld werken.

  Misschien dat daardoor het kennisaspect binnen zijn kunst nog bescheiden is gebleven.

 

  De troubadour zocht de binnenkant van de vrouw. Wat hij vond was vooral zijn eigen innerlijk.

 

De baby

 

  Dat er ook kennis bestaat die niet wakker bewust is en niet verstandelijk kunnen veel situaties uit het dagelijks leven duidelijk maken. Als je bijvoorbeeld met iemand kennismaakt hoeft dat nog geen rationele procedure te zijn. Je babbelt wat met die persoon, misschien onderneem je nog even iets met hem en dat is dat. Als dan later iemand anders vraagt of je die persoon kent zeg je volmondig ja, want je kunt hem dan plaatsen en je herkent hem als je hem weer ziet. Hij is een bekende geworden.

  Ook bij de ontwikkeling van een baby doet zich kennis voor die niet wakker en niet verstandelijk is. Kort na de geboorte speelt dit nog alleen via de tastende vingertjes en het tastende mondje en de kennis die de baby daarbij opdoet is nog erg rudimentair. Maar kan de baby eenmaal de ogen fixeren en het hoofd oprichten, dan is er in ieder geval een houvast geschapen vanwaar uit hij zich op de wereld kan oriënteren. En als hij vervolgens een voorwerp dat hij ziet gaat grijpen krijgt hij al meteen veel meer grip op zijn omgeving. Grijpen zie ik als een nog zeer dromerig bewuste voorfase voor wat later be-grijpen zal worden. Iets dergelijks geldt voor vatten en be-vatten. Dat we hier op een rudimentaire manier werkelijk met kennen te maken hebben zie je aan de reactie van de baby, die met herkenning reageert op een voorwerp dat hij al eerder heeft betast of gegrepen.

  Terwijl de wereld als het ware tastbaar wordt wordt die steeds duidelijker een buitenwereld voor de baby, terwijl de baby zichzelf gaat beleven als min of meer afgescheiden hiervan. De diffuse eenheid van binnen en buiten wordt langzamerhand opgeheven.

  Vervolgens gaat de baby kruipen en gaat hij die buitenwereld werkelijk binnen. Dan komt het staan, waarbij de baby zich nog beter tegenover die buitenwereld kan plaatsen en waarbij de grondslag wordt gelegd voor het ver-staan. Wanneer hij de wereld ook nog eens gaat betreden door te lopen speelt dit binnengaan in de buitenwereld in nog sterkere mate. Uit de triomfantelijkheid die hij hierbij aan de dag legt kun je opmaken dat hij het gevoel heeft iets verworven te hebben en dat dit niet zomaar een instinctieve handeling is.

  De baby verovert de wereld en dat is een actief proces. En terwijl hij de wereld verovert wordt een innerlijke beleving over een uiterlijke werkelijkheid geschoven en in die zin kun je echt wel zeggen dat hij de wereld leert kennen, ook al gebeurt dit nog niet wakker bewust.

  De innerlijke beleving van de buitenwereld komt nog sterker tot uiting wanneer het kind de dingen gaat benoemen. Daarmee wordt het kenproces nog verder geëxpliciteerd. Zijn voorlopige bekroning vindt dit benoemen als het kind zichzelf niet meer benoemt met zijn naam maar het woordje ‘ik’ voor zichzelf gaat gebruiken

  Alle andere kennis berust op deze basis. 

 

Schepping

 

  Toch is er nog iets dat aan de baby voorafging en dan bedoel ik niet de embryonale fase. Ik bedoel de schepping. Die overigens met de ontwikkeling van de baby veel overeenkomsten heeft.

 

  Als je ervan uitgaat dat de wereld niet toevallig is ontstaan maar geschapen is, hoe kun je je die schepping dan voorstellen?

  Het is eigenlijk niet mogelijk je de schepping voor te stellen, omdat zij uit het niets ontstond en omdat het nu eenmaal niet mogelijk is je van het niets een voorstelling te maken. Maar ik wil toch proberen of ik wat woorden kan vinden.

  Aanvankelijk was er dus nog niets.

  Er waren dus nog geen dingen, geen planten, geen dieren en al helemaal geen mensen. Maar er was dus ook nog geen god. Over deze toestand, die eigenlijk ook geen toestand was, kan niets positiefs worden gezegd. Alleen in ontkenningen kan hierover iets verwoord worden. Er was dus niet iets.

  Op een bepaald moment moet die nietsigheid doorbroken zijn en de enige manier waarop mij dat mogelijk lijkt is doordat een wezen dat deze volledige nietsigheid omvatte uitsprak dat hij bestond. En daardoor bestond hij ook pas. Dit wezen schiep dus zichzelf uit het niets.

  Door deze uitspraak ontstond er een afscheiding. Het uitgesproken woord had zich losgemaakt van de spreker. En de spreker herkende in het uitgesproken woord een spiegeling van zichzelf. Hij werd zich bewust van zichzelf door deze spiegeling.

Wij kunnen dat sprekende wezen God noemen en we kunnen die God als mannelijk beschouwen, doordat hij de actieve rol speelde. Als we er tenminste van uit mogen gaan dat het mannelijke principe het actieve principe is, iets wat in veel mythologieën zo wordt voorgesteld. Het uitgesproken wezen, zijn spiegeling, kunnen we vrouwelijk noemen en Godin. De sprekende daad waarmee de schepping begon, behelst dus een mannelijk en een vrouwelijk aspect, kunnen we zeggen.

  Dat vrouwelijke aspect werd de basis van de schepping, uit haar kwamen de dingen van de wereld voort. Zij concretiseerde zich in de concrete dingen.

  God sprak zichzelf uit en zo ontstonden tegelijkertijd God, Godin, de taal, de tijd en de wereld.

  Hij sprak zichzelf uit, dus moet hij ‘Ik ben’ hebben gezegd. Geheel in overeenstemming met wat de god uit de Hebreeuwse bijbel uitsprak toen Mozes hem vroeg naar zijn naam. Zijn antwoord was: ‘Zeg maar tegen de Israëlieten dat Ik-ben je gezonden heeft.’ (Exodus 3; 14)

 

  Ook bij de baby is het zo dat er vanuit een ongedifferentieerde nietsigheid een scheiding tot stand komt tussen subject en buitenwereld. Ook de baby leert zichzelf kennen aan wat hij als buiten zich gaat ervaren (of wat hij buiten zich plaatst).

 

  En als we het toch over analogieën hebben: ook de kunstenaar ontdekt iets over zichzelf doordat hij, scheppend, iets buiten zich plaatst.

 

Sofia

 

  De Godin is de spiegeling waardoor God zichzelf leert kennen. En waardoor hij ook pas ontstaat. Zo is zij het begin van de schepping. Vanaf het begin is zij onlosmakelijk met God verbonden. Hoe kan het dan dat er zo weinig melding van haar wordt gemaakt in de Hebreeuwse bijbel, het geschrift waarop de Christelijke religie zich baseert als het gaat om de voor-christelijke geschiedenis?

  Tja. Ze lijkt toch een beetje te zijn verdonkeremaand.

  Dat gebeurde al meteen in het eerste boek van deze bijbel, waar het scheppingsverhaal wordt verteld. De versie die ik net van de schepping heb gegeven is op dit verhaal gebaseerd, maar om Godin daarbij op te sporen heb ik wel tussen de regels door moeten lezen.

    We vernemen pas iets meer over haar als we helemaal doorbladeren tot op twee derde van de Hebreeuwse bijbel en bij het boek ‘Spreuken’ aankomen. Daar wordt Godin ‘Chokmah’ genoemd, ‘Wijsheid’. In de Griekse vertaling van de Hebreeuwse bijbel, de Septuagint, werd dat ‘Sofia’. Spreuken 8; 22-23 is geheel in overeenstemming met wat zojuist over Godin naar voren is gebracht.

 

De Heer bezat mij

als het beginsel van zijn weg,

vóór zijn werken, van toen aan.

Sinds de eeuwigheid ben ik gezalfd geweest,

vanaf het begin,

vanaf de oudheden der aarde.

 

    Vervolgens gaat Godin als Sofia een centrale rol spelen binnen de gnosis, een innerlijke vorm van religie die zowel Joodse als Griekse invloeden kent.

    Ook de gnosis stelt dat de Sofia vanaf het begin bij God vertoefde, als zijn metgezellin. Zij vertegenwoordigde de schepping, die aanvankelijk nog een puur geestelijke was. Op een gegeven moment echter werd de schepping ook stoffelijk en toen gebeurde het dat de Sofia afdaalde in de stof. Dit wordt beschreven als een val. De Sofia werd nu de weerspiegeling van God in de stof en als zodanig werd zij in de Joodse mystiek (de kaballah) ook wel de Sjekinah genoemd.       

    Sjekinah betekent ‘bewoning’ en net als bij Sofia, Chokmah en Wijsheid gaat het hier om een vrouwelijk woord. De Sjekinah is voor kaballisten de kant van de godheid die zich op aarde manifesteert. Zij is het goddelijke in een binnen het aardse te beleven vorm. In dit kader werd bijvoorbeeld de tempel met de Sjekinah in verband gebracht, de tempel die voor de Israelieten de verblijfplaats was van God op aarde. Ook het goddelijke binnen de mens kan met Sjekinah worden aangeduid. Het is de ‘inwoning’ van God in de mens.

   Bij de Sofia ligt meer de nadruk op de wijsheid, de kennis van God, bij de Sjekinah  meer op de vertegenwoordiging van God op aarde, maar die twee aspecten zijn niet scherp van elkaar te onderscheiden.

    Dan wordt binnen de gnosis verteld dat de Sofia na haar afdaling verstrikt raakte in de materie. Wat  eigenlijk inhield dat de kennis zich tot de fysieke werkelijkheid ging beperken. Om haar uit deze verstrikking te verlossen werd de zoon van God, de Christus, naar de aarde gestuurd en werd hij mens. De Christus verloste haar en maakte haar tot zijn bruid, zodat God en Godin nu beiden op aarde werkzaam konden zijn.

    In het concrete verhaal van Jezus, de man die de Christus in zich opnam, was zijn metgezellin, Maria Magdalena, degene die de Sofia vertegenwoordigde. In ieder  geval komt dit naar voren uit het gnostische evangelie van Filippus. Ook andere gegevens uit gnostische geschriften wijzen erop dat Maria Magdalena, de meest geliefde leerling van Jezus en aan wie hij geheimen toevertrouwde die hij aan de andere leerlingen onthield, als de vertegenwoordigster van de Sofia kan worden beschouwd. Beter dan de andere leerlingen kende zij de Christus. En zonder haar zou de werking die de Christus op aarde heeft uitgeoefend niet mogelijk zijn geweest.

    Nog steeds kan de Sofia als de kennis van de Christus worden beschouwd. En mogen wij ervan uitgaan dat de Christus een realiteit is, de realiteit van de God-mens, dan gebiedt de eerlijkheid ons toe te geven dat wij nog niet veel van deze werkelijkheid begrijpen en dat wij er nog nauwelijks mee uit de voeten kunnen. Het gaat er dus om het contact met de Sofia te intensiveren. Slechts via haar kunnen wij de God-mens begrijpen en kunnen wij dit gegeven voor onze wereld vruchtbaar maken.

    Het is via haar ook dat wij de wetmatigheden op het spoor kunnen komen die bij de schepping geldend zijn geweest en die nog steeds werken binnen de concrete verschijnselen.

 

    Om deze gegevens wat dichter bij huis te halen kunnen wij te rade gaan bij de psychiater Carl Jung, die veel gnostische gegevens in psychologische termen vertaald heeft. Hij introduceerde het begrip ‘anima’ voor het innerlijk van de man, zijn ziel. Het innerlijk van de vrouw noemde hij de ‘animus’. Door contact met zijn anima aan te gaan leerde de man veel over zijn onbekende, onbewuste kant, bracht Jung naar voren. Daarbij onderscheidde hij vier niveaus die de anima kon aannemen,  de Eva, de Helena, de Maria en de Sofia. De Eva was voor hem het instinctieve niveau. De Helena was het niveau van schoonheid, idealisme en romantiek. De Maria was het religieuze niveau en het niveau van de permanente relatie. En de Sofia het niveau van de innerlijke kennis (en kennis van het innerlijk), een kennis die toegang gaf tot de zin van het leven.

   

Kennis van de binnenkant

 

    De gangbare wetenschap is goed in wat zij objectieve kennis noemt. Het is een kennis die zich richt op objecten, materiële dingen, en die zich voornamelijk bedient van de objectieve waarneming en het verstand. Het is een kennis van de buitenkant. Zoeken wij kennis van de binnenkant, dan moeten wij verder gaan dan wat zintuigen en verstand ons bieden. Dan moeten inkeer en verbeeldingskracht ons leiden naar de Sofia.