Materie

 

    In dit artikel ga ik mij richten op de vraag: wat is materie? En op wat dat andere begrip inhoudt dat nauw met materie samenhangt: zwaarte? 

 

De zwaarte ontdekt

 

    Het verhaal berust misschien niet volledig op feiten, maar het leidt een hardnekkig bestaan en details ervan zijn door de hoofdpersoon zelf bevestigd. De jonge Isaac Newton, die later de beroemde fysicus zou worden, zit op de boerderij van zijn moeder achter zijn slaapkamerraam. Het is de vroege herfst van het jaar 1666. Vanuit zijn raam heeft hij uitzicht op een appelboom, volgens sommigen een moesappelboom van de soort Flower of Kent. Uit die boom valt een appel.

    Er vallen wel vaker appels uit bomen en weinig mensen besteden daar aandacht aan. Maar Isaac Newton peinst in die tijd over de kracht die ervoor verantwoordelijk is dat de maan om de aarde draait en als hij de appel ziet vallen, niet omhoog, niet opzij maar recht naar beneden, heeft hij opeens het inzicht dat er een kracht moet zijn die de appel aantrekt, vanuit de aarde. Hij heeft de zwaartekracht ontdekt. Ook tussen de maan en de aarde zal hij later de werking van de zwaartekracht onderkennen.

    Heeft hij de zwaartekracht ontdekt of heeft hij hem uitgevonden? Ik bedoel: is de zwaartekracht een objectief gegeven of een manier van kijken?

    In ieder geval paste de zwaartekracht in die tijd, want ook uit andere gegevens uit die tijd blijkt dat zwaarte een thema geworden was. Neem bijvoorbeeld de schilderkunst, waar de Vlaamse schilder Rubens (1577-1640) er een specialisatie van had gemaakt zwaarlijvige vrouwen te schilderen. De kunst van Rubens was zeer populair, waaruit moge blijken dat zijn specialisatie aansloot bij de smaak van het publiek. Ook de lichamen die door beroemde schilder Rembrandt (1606-1669) geschilderd zijn hadden een opvallende zwaarte. Dat zie je bijvoorbeeld op zijn schilderij ‘De roof van Ganymedes’, waarop een jongetje door een adelaar bij zijn kleding wordt vastgegrepen en omhoog wordt getild. Het jongetje is zo mollig dat dit voor de adelaar een haast onmogelijke opgave lijkt. Bovendien laat Rembrandt het kind ook nog eens plassen, zodat het naar beneden buigende straaltje tegen de bewegingsrichting van de adelaar ingaat. Eerdere schilders die hetzelfde thema hadden gebruikt hadden een heel wat lichter jongetje in beeld gebracht. 

    Ook in de architectuur van die tijd, de tijd van de barok, zie je die zwaarte optreden. Veel barokgebouwen lijken zwaar op de aarde te drukken.

    Kan ik de manier waarop de werkelijkheid binnen de cultuur wordt weergegeven zien als een uiting van een wereldbeeld, bewust of onbewust, dan was binnen het wereldbeeld van die tijd zwaarte zonder meer een thema. In die zin was Isaac Newton een kind van zijn tijd.

    Daar ging wel iets aan vooraf. Het werk van de beeldhouwer Michelangelo  bijvoorbeeld (1475-1564), dat vooral in zijn latere fase uit beelden bestond die zwaarte uitstraalden en waarbij de gebeeldhouwde personen ook aan die zwaarte leken te lijden. Ga je nog verder terug en kijk je naar de ontwikkeling van de techniek, dan kom je bij de ontdekking van de klok die via gewichten werkt, zo tegen het einde van de dertiende eeuw. Vóór die tijd vond meting van de tijd nog slechts plaats via zonnewijzers, zich verzamelende waterdruppels of gemarkeerde kaarsen. De vroegste kiemen van het denken in zwaarte moeten dus waarschijnlijk tegen het eind van de dertiende eeuw worden gezocht.

    De ontwikkeling die daar was ingezet werd door Newton in het bewustzijn gebracht en als een vast gegeven in onze cultuur ingevoerd. Ook in onze tijd werkt dat nog door.

 

Het zware lichaam

 

    Heeft ons lichaam zwaarte?

    Tja, als je het gaat wegen blijkt het inderdaad zwaarte te hebben.

    Weeg je het echter niet en kijk je gewoon naar de verschijnselen, dan kun je bij veel lichamen een uitgesproken lichtheid constateren, een veerkrachtige tred, een natuurlijke sprongkracht, een neiging van de armen omhoog te zwaaien. Een levendig lichaam is een licht lichaam. En een gezond kind is eigenlijk nooit zwaar. Zwaar wordt een lichaam pas als de persoon die erin zit moe wordt, of ziek.  

    De persoon die erin zit? Zit er een persoon in een lichaam?

    Niet iedereen is daarvan overtuigd. Voor sommigen valt de mens gewoon samen met zijn lichaam en is er niets anders aan de mens dan lichamelijkheid. Ook gevoelens en gedachten worden daarbij als lichamelijke gegevens gezien. Voor anderen daarentegen is de lichamelijkheid slechts een aspect van de mens en is hij daarnaast ook nog…. Nou ja, de persoon die erin zit. Voor beide opvattingen zijn argumenten aan te voeren, zodat het in feite een kwestie is van kiezen. En dan spreekt de tweede opvatting mij meer aan, omdat het mij zo gemakkelijker valt een zin in het leven te zien. Dat ik zin zoek is voor mij een uitgangspunt.

    Maar goed, sinds Newton de wet van de zwaartekracht formuleerde zijn wij eraan gewend geraakt een lichaam als zwaar te zien, en daardoor ook het eigen lichaam als zwaar te beleven. Vóór Newton, of in ieder geval vóór 1300, waren die visie en die beleving er echter nog niet.

    Een lichaam als licht zien en als licht beleven is trouwens ook nu nog heel goed mogelijk.    

    Wordt een lichaam als zwaar beleefd, dan treden de wetmatigheden op de voorgrond die aan materie eigen zijn. Zwaarte is van materie een essentieel kenmerk. Wordt een lichaam als licht beleefd, dan hebben we met andere wetmatigheden te maken, minder bekend, maar overal in de natuur optredend. Kijk maar eens naar een plant. Is die aan zwaarte onderhevig? Het tegendeel lijkt het geval, want wat je ziet is dat een plant in het algemeen omhoog groeit, tegen de zwaarte in. Een plant maakt in het algemeen helemaal geen zware indruk. Natuurlijk kun je een plant wegen, waarbij je zwaarte kunt constateren, maar dan moet je hem wel eerst uit de grond halen en uit zijn natuurlijke verbinding met de aarde. Bij de plant kun je heel duidelijk een wetmatigheid constateren die je lichtheidskracht zou kunnen noemen. Of oprichtingskracht. Ook bij dieren en bij mensen werkt die lichtheidskracht. Bij zalmen of forellen bijvoorbeeld, die tegen de stroom van een waterval in omhoog kunnen springen. Of bij de beweging van het zwaarste van alle landdieren, de olifant. Een olifant beweegt helemaal niet zwaar. Bij mensen is lichtheid bijvoorbeeld een opvallend verschijnsel wanneer iemand blij is. 

    Het is maar hoe je naar de natuur wilt kijken. Wil je zwaarte zien, dan zie je zwaarte. Wil je lichtheid zien, dan zie je lichtheid.

 

Deeltjes en golfjes

 

    Iets dergelijks is ontdekt binnen de fysica, de wetenschap die zich met de materie bezighoudt. Daar kwam men in de twintiger jaren van de twintigste eeuw tot de bevinding dat je materie kunt zien als bestaande uit deeltjes (materiële eenheden) of als bestaande uit golfjes (energetische eenheden). Het was maar net hoe je die materie benaderde. Materie bleek niet zo materieel als altijd was gedacht. Voortdurend kon zij in energie overgaan.

    Materie manifesteert zich in afgesloten eenheden. Energie manifesteert zich in een golfbeweging, of een trilling. Hoe hoger het energieniveau, des te hoger de trilling. Licht heeft bijvoorbeeld een aanzienlijk hogere trilling dan lood.

    Dit is zonder meer door te trekken naar wat aan de mens materie is, zijn lichaam. Ook het menselijk lichaam is te zien en te benaderen als materie of als energie.

    Je zou ook kunnen zeggen: de mens heeft naast een fysiek lichaam een energielichaam.

 

De volledige mens

 

    Zijn fysieke lichaam kan de mens beleven wanneer hij bijvoorbeeld ergens tegenaan botst. Dan merkt hij duidelijk waar zijn fysieke lichaam ophoudt en waar andere materie begint. Zoals ik al aangaf kan de mens zijn fysieke lichaam ook beleven als hij moe is of ziek. Zijn lichaam wordt dan iets zwaars, dat hij alleen met de nodige moeite in beweging kan brengen. Ook stress confronteert ons met ons fysieke lichaam, doordat er dan druk op dit lichaam wordt gezet.  

    Zijn energielichaam beleeft de mens als hij in zijn normale doen is. Dan sluit zijn lichaam zich vanzelfsprekend aan bij wat er in hem omgaat, vaak zonder veel weerstand. Dat zie je bijvoorbeeld aan de gebaren die iemand maakt wanneer hij praat. Is de mens dan ook nog eens blij en heeft hij de neiging te gaan dansen, dan kan het hele lichaam lichtheid zijn.

    Het fysieke lichaam en het energielichaam maken samen de menselijke lichamelijkheid uit. Maar met die twee aspecten is de mens nog niet helemaal in beeld gebracht. Want wat door zijn lichaam heen gaat als een mens danst is niet alleen energie. Die energie wordt ook ergens door geïnspireerd, gestimuleerd. Door een bepaald gevoel, al of niet door muziek opgeroepen. Gevoel is nog iets anders dan energie, al werkt het altijd naar het energetische toe door. Naast zijn fysieke lichaam en zijn energielichaam heeft de mens dus ook nog zoiets als een gevoelsleven. Met sympathie, antipathie, haat, liefde, verdriet, jaloezie, blijdschap enzovoort.

    Daarmee zijn we er echter nog steeds niet, want er is nog iets dat bij de mens een rol speelt. De mens hoeft zich namelijk niet door zijn gevoelsleven te laten dicteren, hij kan er een bewuste verhouding mee aangaan. Veel van onze gevoelens, zoals agressie, genegenheid en blijdschap, zijn ook bij dieren aanwezig, alleen is het bij dieren zo dat zij er wel door gedicteerd worden. Ze vallen ermee samen. Wanneer zij iets voelen weten ze dat niet, ze zíjn het gewoon. Mensen weten dat vaak wél, hetgeen betekent dat mensen een aspect hebben dat als het ware boven de gevoelens uit stijgt, dat ze ook min of meer kan reguleren en dat er niet alleen voor zorgt dat de mens zich van zijn gevoelens bewust is maar dat hij zich ook bewust is van zichzelf. Laten we dat maar individualiteit of zelfbewustzijn noemen. Zodat we voorlopig aan de mens vier aspecten kunnen onderscheiden:

  1. een fysiek lichaam,
  2. een energielichaam,
  3. gevoelsleven en
  4. zelfbewustzijn/individualiteit.

    Het gevoelsleven wordt ook wel de astraliteit genoemd. En het zelfbewustzijn/de individualiteit noemt men wel het ik, niet te verwarren met het op eigenbelang gerichte ego.

    Het fysieke lichaam heeft de mens gemeenschappelijk met de steen. Het energielichaam heeft hij gemeenschappelijk met de plant. De astraliteit heeft hij gemeenschappelijk met het dier. Het ik is typisch menselijk.

 

    Het fysieke lichaam en het energielichaam maken deel uit van de menselijke lichamelijkheid, gaf ik aan. Met de astraliteit en het ik is dat niet direct het geval. Zij kunnen worden gezien als de niet-lichamelijke aspecten van een mens, al werken ze wel in het lichamelijke door.

    Het kan de vraag oproepen hoe tussen dat lichamelijke en dat niet-lichamelijke de verhouding is.

    In ieder geval kan het gebeuren dat de astraliteit en het ik de mens van zijn fysieke lichaam en zijn energielichaam weg doen drijven. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer iemand te veel hooi op zijn vork neemt en gestresst raakt. Of als hij angstig is. Het denken en het bewustzijn komen dan veel sterker op de voorgrond dan de lichamelijkheid en de mens kan de ervaring van zijn lichamelijkheid dan min of meer kwijtraken.

    Zaken als angst, stress, druk, een intensief denken en een sterk bewustzijn kunnen de verbinding tussen de astraliteit en het ik enerzijds en het energielichaam en het fysieke lichaam anderzijds losser maken. Zaken als bewegen, genieten en aanraking kunnen die verbinding versterken.

    Zien we de mens als een persoon die in een lichaam zit, dan moeten we constateren dat hij er niet altijd even stevig in zit. Dat tussen het lichamelijke en het niet-lichamelijke zoiets als een elastiek bestaat, dat uit kan rekken en kan samentrekken.

    Een mens is ook materie, maar hij heeft een flexibele verhouding tot zijn materiële basis.

 

De geslachtsdrift

 

    Angst, stress,een intensief denken of een sterk bewustzijnhaalde ik net aanals gegevens die de mens enigszins van zijn lichamelijkheid weg doen drijven. Hoe een sterk bewustzijn dat doet kun je bijvoorbeeld waarnemen wanneer iemand aan de computer zit. Als ik aan mijn computer zit hebben mijn hielen de neiging omhoog te gaan, alsof ik een beetje op wil stijgen, en steun ik helemaal op mijn voorvoeten. Ook mijn ademhaling trekt dan omhoog. Het meest intensief functioneert dan mijn hoofd.

    Beweging, genieting of aanraking hebben een tegengesteld effect, die helpen iemand als het ware te zakken. Daardoor is het begrijpelijk dat de geslachtsdrift, die een combinatie behelst van aanraking, genieting en beweging, bij uitstek een impuls is die de mens ertoe aandrijft het materiële vlak op te zoeken. Althans, zo lijkt dat in eerste instantie. Anders gezegd: de geslachtsdrift is een sterk incarnerende impuls, waarbij ik onder ‘incarneren’ versta ‘in het lichaam komen’. Een en ander is ook terug te zien in de bouw van het menselijk lichaam, waar het hoofd, de locatie van het denken, zich boven (in de richting van de hemel) bevindt en de geslachtsdelen onder (in de richting van de aarde.)

     

    Het paradijsverhaal uit de bijbel sluit hierbij aan. Wanneer verteld wordt over het ontstaan van de geslachtsdrift wordt deze direct in samenhang gebracht met het lichamelijk worden van de twee eerste mensen, nadat zij van de verboden vrucht gegeten hadden.

 

‘En hun ogen werden geopend en zij zagen dat zij naakt waren.’

Genesis 3; 7

 

    Willen we het materiële binnen de mens zelf onderzoeken, dan lijkt de geslachtsdrift dus een goede invalshoek.

 

Sigmund Freud

   

    Een van de eersten die geprobeerd hebben de geslachtsdrift wetenschappelijk te benaderen, Sigmund Freud, vond dat wetenschap zich tot de materie moest beperken. Eigenlijk ontkende hij dat er iets anders dan materie bestond, al was hij tegelijkertijd zeer bevreesd voor wat hij ‘het occultisme’ noemde, voor al die dingen die je niet kon verklaren en waar je geen vat op had. Graag gebruikte Freud het woord ‘libido’ voor geslachtdrift en die libido was voor hem een puur lichamelijk, materieel gegeven. In dit kader is het tekenend dat een van zijn eerste wetenschappelijke onderzoekingen zich bezighield met de geslachtsklier van de aal. Veel verschil tussen de menselijke en de dierlijke libido zag hij eigenlijk niet, al vond hij wel dat de mens er meer last van had.

    Een psyche in de zin van een ziel bestond niet voor Freud, de psyche functioneerde naar zijn idee geheel op basis van die puur lichamelijke libido. Dat was de missie die hij uit wilde dragen. Waarmee hij in conflict kwam met Carl Jung, net als Freud een arts die de psychiatrie als specialisatie had gekozen, en iemand die de negentien jaar oudere Freud aanvankelijk zeer bewonderde. Steeds weer hadden zij discussies over de aard van de libido, waarbij Jung naar voren bracht dat hij de libido zag als werkelijk psychische energie, psychisch in de zin van zielsmatig. Freud kon daar erg ongeduldig van worden en probeerde steeds weer Jung naar zijn standpunt over te halen.

    ‘Mijn beste Jung,’ zei hij op een bepaald moment, met bewogenheid in zijn stem, ‘belooft u mij nooit ontrouw te worden aan de seksuele theorie. Zij is de kwintessens. Wij moeten daar een dogma van maken, een onaantastbaar bolwerk.’

    Verbaasd over dat woord ‘bolwerk’ vroeg Jung:

    ‘Een bolwerk waartegen?’

    Waarop Freud antwoordde:

    ‘Tegen de zwarte moddervloed….. van het occultisme.’

    Jung kon daar niet in meegaan en deze uitspraak werd er aanleiding toe dat hij zich korte tijd later van Freud losmaakte. Mede doordat Freud zes jaar lang toch een soort vaderfiguur voor hem was geweest kwam Jung nu in een ernstige crisis, een crisis waarin hij zodanig door beelden werd overspoeld dat psychiaters die zijn leven hebben bestudeerd ervan uitgaan dat hij toen een psychose heeft doorgemaakt. Dat begon eind 1913. Eigenlijk deed Jung nu op een intensieve manier ervaring op met wat Freud occultisme noemde. Maar Jung was een van die mensen die de kunst verstonden licht te ontlenen aan het donker. Hij bleef niet alleen overeind in dit beeldengeweld, hij heeft de rest van zijn leven voortgebouwd op wat hij tijdens deze crisis ontdekte.

 

Wilhelm Reich

 

    Enige jaren nadat Jung zich van hem had losgemaakt heeft Freud zelf overigens het dogma van de seksuele libido enigszins verzacht. Mede op grond van zijn ervaringen tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte hij naast de libido ruimte voor een tweede drift, de doodsdrift, terwijl hij het woord ‘seksualiteit’ verving door het wat mildere klinkende ‘eros’. Voor het eerst deed hij dat in 1920, in zijn boek ‘Jenseits des Lustprinzips’.

    In datzelfde jaar werd Wilhelm Reich lid van de door Freud geleide Internationale Vereniging voor Psychotherapie. Reich, op dat moment 23 jaar, was volledig in de ban van Freuds seksuele dogma, wat hem al gauw tot een van Freuds favoriete leerlingen maakte. Op het moment dat Freud zelf dit dogma begon te relativeren was het Reich die als het ware het stokje van hem overnam en zich volledig op de seksuele libido concentreerde, wat hij de rest van zijn leven trouw is blijven doen. Het ging Reich puur om de genitale seksualiteit en om het orgasme. Daarbij zag hij de oorzaak van problemen op dit gebied voor een belangrijk deel bij de maatschappelijke situatie waarin mensen moesten verkeren. Mensen uit het gewone volk vooral, want anders dan bij Freud waren zijn patiënten niet uit de maatschappelijke bovenlaag afkomstig. Dat hij socialistische sympathieën koesterde sloot hierbij aan. Heel bewust probeerde hij een brug te slaan tussen Freud en Marx.

    Wat Freud betreft beperkte hij zich niet tot wat deze al had uitgewerkt maar bouwde hij geheel zelfstandig de theorie van de seksuele libido verder uit. Dat deed hij voornamelijk door nauwgezet te bestuderen wat er tijdens een orgasme gebeurde en wat hierbij mis kon gaan. Eindeloos maakte hij diagrammen van de elektrische lading die vrij komt tijdens seksuele activiteiten, waarbij het feit dat hij hiervoor seksueel opgewonden personen nodig had begrijpelijkerwijs de nodige roddels op gang bracht. Reich echter nam het niet zo nauw met de conventies, ook niet als het ging om de therapeutische aanpak. Die was gericht op het losmaken van vastzittende spieren, om zo de orgastische energie te bevrijden. Als hij het nodig vond schrok hij er niet voor terug om hierbij met zijn krachtige lichaam de nodige druk te zetten, wat bij sommige patiënten tot blessures heeft geleid. Onconventioneel was ook dat in zijn contact met zijn patiënten de grens tussen het professionele en het persoonlijke nogal eens een dunne was. Een aantal patiënten werd trouwens later medewerker. Los daarvan leek zijn aanpak intelligent, verfrissend en effectief.

    Vanaf 1934 beperkte zijn onderzoek zich niet meer tot het menselijk lichaam maar wilde hij de levenskracht die hij in de libido waarnam ook in de materie terugvinden. Met een versterkte mikroskoop ging hij toen materiedeeltjes bestuderen, waarbij hij op een gegeven moment pulserende blauwe bolletjes zag bij een preparaat uit gekookt voedsel. Dat fascineerde hem. Waren dit niet de atomen van de universele levensenergie? Was dit niet een overgangsstaat tussen anorganische materie en leven? Hij noemde die bolletjes ‘bionen’.

    In Noorwegen, waar hij toen woonde en werkte, werd deze nieuwe wending door wetenschappers als onzin beschouwd, belachelijk gemaakt en tegengewerkt, maar hoewel dit Reich diep teleurstelde ging hij er toch mee door, ook toen hij in 1939 naar de Verenigde Staten was geëmigreerd om de nazi’s te ontvluchten. Als Jood had hij  alle reden voor die vlucht.

    Het vervolg van zijn onderzoek leek erop te wijzen dat de bionen straling uitzonden, waarna hij overal straling begon te zien. Die kwam van de zon, was zijn overtuiging, en hij vond er een naam voor: ‘orgone’. De orgastische energie was blijkbaar over het hele zonnestelsel verbreid, en misschien wel over het hele heelal.

    Praktisch als hij was ging hij nu orgoneaccumulatoren ontwikkelen, een soort kasten waar je in kon zitten en waarin je orgastische potentie in korte tijd flink omhoog kon gaan, naar hij beweerde. Het kon volgens hem zelfs tot genezing van kanker leiden. Hij verhuurde ze ook. Verder maakte hij ‘wolkenkrakers’ (cloudbusters), bestaande uit holle metalen buizen die met de een of andere vorm van water verbonden waren. Hij pretendeerde hiermee wolken uiteen te kunnen drijven en regenwolken te kunnen genereren en inderdaad is er een geval gedocumenteerd waarin het hem gelukt schijnt te zijn in een droge periode regen op te wekken.

    Overigens vond hij in de natuur ook een kracht die tegen de orgonestraling in werkte, een dodelijke kracht, die hij ‘DOR’ (deadly orgone) noemde. Met orgonestraling probeerde hij die te bestrijden. Ondertussen leidden zijn uitgebreide experimenten met muizen en radioactieve straling ertoe dat zijn partner van dat moment met een overdosis straling in het ziekenhuis moest worden opgenomen. Reich zelf werd in deze fase van zijn onderzoekingen steeds moeilijker toegankelijk, raakte aan de drank en kreeg last van achtervolgingswanen.

    Ook in de Verenigde Staten ging zijn werk langzamerhand weerstand oproepen en uiteindelijk leidde dat tot een rechtszaak en een gevangenisstraf. Reich is in de gevangenis overleden, nadat de boeken die hij over zijn experimenten had gepubliceerd op last van de overheid waren verbrand, iets wat velen als een smet op het Amerikaanse rechtswezen beschouwen. Gelukkig bestaan er inmiddels nieuwe uitgaven.

   Al met al was Reich, net als Jung, diep in duistere regionen terechtgekomen. De als puur lichamelijk beschouwde seksuele libido, die de materialistische Freud had willen inzetten als een bolwerk tegen ‘de zwarte moddervloed van het occultisme’, ze was bij deze volgeling een uitgesproken occult gegeven geworden.

   Desondanks vond Reich zelf ook weer navolging. In de persoon van zijn leerling Alexander Lowen bijvoorbeeld, die Reichs therapeutische methode uitwerkte tot wat  ‘bioenergetica’ is gaan heten, een therapie die nog steeds veelvuldig wordt toegepast. Ook Alexander Lowen was er overigens van overtuigd dat de libido geen zuiver fysieke aangelegenheid was. Voor hem had de seksualiteit een spiritueel aspect, dat hij niet van de fysieke functie los kon zien.

   Zo bleek binnen de psychologie hetzelfde als wat eerder binnen de fysica gebleken was: als je je maar genoeg in het materiele verdiept kom je erachter dat het materiële helemaal zo materieel niet is.    

    

Seks en spiritualiteit

 

   Ook vanuit andere invalshoeken wordt duidelijk dat seks niet uitsluitend een fysieke aangelegenheid is. Neem bijvoorbeeld de fenomenologie, of het bijbelse scheppingsverhaal.   

   Wat die fenomenologische invalshoek betreft kan ik kort zijn. De fysieke benadering ziet de mens als zwaar en als door de aarde aangetrokken. Welnu, een van de opvallendste fenomenen van de mannelijke seksualiteit, de erectie, toont juist een beweging van de aarde vandaan, een beweging die letterlijk verheffend kan worden genoemd.

   En wat het bijbelse paradijsverhaal betreft: hierin wordt de geslachtsdrift weliswaar met het fysiek-worden van de mens in verband gebracht, maar wordt tegelijkertijd gewezen op de verbindende werking die ervan uit kan gaan, een verbindende werking tussen man en vrouw die hen na de splitsing in geslachten weer tot een geheel kan samenvoegen en zelfs tot een goddelijk wezen kan maken.

 

Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, zodat zij één wezen worden.

Genesis 2; 24

 

En de Heer God zei: Zie, de mens is geworden als een van ons.

Genesis 3; 22

 

   De geslachtsdrift is een incarnerende kracht. In functionele zin is die kracht, doordat hij tot  nageslacht kan leiden, een compensatie voor de sterfelijkheid van het individu. In psychologische en spirituele zin is hij een poging de scheiding in geslachten te overbruggen en de mens zo weer met het goddelijke te verbinden.

 

Geld

 

   Is binnen de psychologie de materiële basis van het bestaan vaak in de libido gezocht, binnen de sociologie wordt die rol aan het geld toebedeeld. Door Karl Marx bijvoorbeeld. Voor Marx was geld de basis van het maatschappelijke leven, iets waarvan al het andere was afgeleid en waarvan al het andere afhankelijk bleef.

   Een zeer materialistische visie, die goed aansluit bij de uitdrukking waarin geld ‘het slijk der aarde’ wordt genoemd.

   De visie van Marx leek in die tijd nogal vergezocht, leek weinig ruimte te laten voor wezenlijk culturele waarden. Marx werd dan ook nogal verketterd. Inmiddels echter, anderhalve eeuw later, komt het maatschappelijke leven aardig overeen met wat hij beschreven heeft. Heden ten dage staat de economie werkelijk steeds op de eerste plaats bij maatschappelijke discussies en is het de economie die de marges bepaalt voor de andere aspecten van de maatschappelijke leven, zoals de politiek, de wetenschap en de cultuur. De werkelijke macht in onze wereld ligt bij de enorme bedrijven die bijvoorbeeld op het gebied van de voedselindustrie, de energievoorziening en de gezondheidszorg min of meer een monopoliepositie hebben verworven.

   Het principe van de vrije markt, zoals de liberalisten dat tegenover het socialisten in stelling brachten en dat deze opeenhoping van macht mogelijk heeft gemaakt, heeft  zichzelf langzamerhand de das om gedaan.

   Niet alleen de socialisten, ook de liberalen zien trouwens het geld als de basis van alles. Daardoor is onze wereld de slaaf van het geld geworden, ook waar het individuele mensen betreft. Wij leven om te werken en om vervolgens geld uit te kunnen geven. Zodat de economie kan draaien. Mensen zijn radertjes in de economische machine geworden.

   Terwijl het ook heel goed andersom had kunnen zijn. Werken om te leven. En geld zien als een middel, een middel om iets wat gewild wordt te verwerkelijken binnen het aardse vlak. Vanuit die laatste benadering staat niet het geld voorop maar datgene wat verwerkelijkt moet worden. Een idee bijvoorbeeld. Geld is dan een middel om dat idee te verwerkelijken of te materialiseren.

   Het is niet moeilijk deze zienswijze met concrete gegevens te ondersteunen. Geld stroomt immers heel vaak daarheen waar de interesse van mensen naar uitgaat. Zijn veel mensen geïnteresseerd in seks, dan stroomt er geld naar de seksindustrie. Zijn veel mensen geïnteresseerd in computers, dan stroomt er geld naar de computerindustrie. Ook in het uitgavenpatroon van individuele mensen is dat terug te vinden. Als iemand een auto belangrijk vindt is hij gemakkelijk geneigd daar veel geld voor uit te geven. Iemand anders besteedt misschien juist veel geld aan boeken, of aan films. Interesse is hier het primaire en het geld is van die interesse de concretisering.  

   Waarbij dan wel meteen onder ogen moet worden gezien dat ook dit principe weer kan worden omgekeerd. Ik bedoel: maar heel weinig mensen willen een snellere computer in het tempo waarin steeds snellere computers op de markt worden gebracht. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de computerindustrie hier niet zo zeer de verwerkelijking van interesse op het oog heeft als wel de opwekking ervan. Zij bestookt de markt met steeds snellere computers om de mensen min of meer te dwingen steeds snel een nieuwe computer aan te schaffen. Anders raken zij achter op de ontwikkelingen, met alle communicatieproblemen van dien. De computerindustrie wekt die interesse op om zichzelf zo te verrijken.  

   Maar goed. Geld kan dus een doel op zichzelf zijn, en in dat geval trekt geld andere factoren als ideeën, gevoelens en energie naar zich toe. Maar geld kan zeker ook een middel zijn, een middel tot verwerkelijking van die ideeën, die gevoelens en die energie. Het moge duidelijk zijn dat die eerste benadering, de materialistische,  momenteel de gangbare is. Wij leven in een materialistische tijd.

 

Omslag?

 

   Ga je nu uit van die materialistische benadering, dan kan de vraag opkomen of niet ook op het gebied van het geld een omslag plaats kan vinden, net zoals we dat zagen bij het onderzoek van de materie en van de libido. Bij het onderzoek van de materie en van de libido gebeurde het dat een materialistische benadering op een gegeven moment tot conclusies leidde die niet meer binnen het materialisme pasten. De materie bleek niet te beantwoorden aan materiële criteria maar bleek nauw samen te hangen met energie. De libido bleek geen fysiek gegeven maar iets occults. Gaat dit ook op bij het geld?

   In ieder geval is er een mythe die dit tot uitdrukking brengt.

 

   Toen de god van de wijn, Dionysos, eens met zijn gevolg door de Griekse landstreek Phrygië trok gebeurde het dat een van zijn volgelingen achterop raakte en uiteindelijk verdwaalde. Hij werd door boeren gevonden, die hem naar hun koning brachten, Midas genaamd. Nu was Midas zelf vertrouwd met de mysteriën van Dionysos, dus die kwam er al snel achter wat van deze man de achtergrond was. Verheugd een volgeling van Dionysos te hebben ontmoet onthaalde Midas hem tien  dagen en tien nachten lang en organiseerde vervolgens een escorte om hem terug te brengen naar de god. Deze laatste was zo gecharmeerd van Midas’ handelwijze dat hij hem een wens toestond. Wat hij ook zou wensen, het zou in vervulling gaan. Zonder een moment na te denken zei Midas: ik wens dat alles wat ik aanraak in goud verandert.

   Daarop brak Midas een takje van een boom en ja hoor, het was meteen van goud geworden. Verheugd plukte hij bloemen in zijn tuin en ook die werden van goud, waarna hij allerlei voorwerpen in zijn paleis aan ging raken. Steeds meer goud glansde er in zijn paleis en hij was in verrukking over zijn toenemende rijkdom. Maar na een tijdje kreeg hij honger en liet een schaal met eten komen, waarna, op het moment dat hij het aanraakte, ook het eten in goud veranderde. Zo was het hem onmogelijk zijn honger te stillen. Toen besefte hij een grote fout te hebben gemaakt en steunde met zijn voorhoofd in zijn hand, waarop ook zijn voorhoofd in glimmend goud veranderde.

   ‘O, Dionysos, neem dit ongeluk van mij weg!’ smeekte hij.

   Gelukkig was Dionysos de kwaadste niet. Hij liet Midas weten dat hij naar de bron van de rivier Paktolos moest gaan om daar zijn voorhoofd in het water te houden, waarna  hij van het goud en van zijn gave verlost zou zijn. Aldus geschiedde. Het goud ging daarbij over in de rivier, die sindsdien een prachtige glans vertoonde. Zo was de dommigheid van Midas toch nog ergens goed voor geweest.

 

   Hier zien we iemand die waarde versmalt tot financiële waarde. En die merkt dat die financiële waarde hierdoor als het ware verdampt.

   In het concrete maatschappelijke leven doet zich af en toe iets  overeenkomstigs voor. Dat was bijvoorbeeld het geval tijdens de bankencrisis die de wereld tussen 2007 en 2011 in haar greep hield. Wat hieraan voorafging was dat vooral de IJslandse banken exorbitante bedragen uit gingen lenen. Toen er vervolgens onverwachts inflatie optrad liepen de schulden zodanig op dat de IJslandse banken betalingsproblemen kregen. Omdat het geldverkeer niet aan afzonderlijke landen gebonden is leidde dit al snel tot een wereldwijde financiële crisis, die slechts met grote moeite enigszins bedwongen kon worden. Ook in dit geval kun je zeggen dat het verabsoluteren van de financiële waarde ertoe leidde dat deze financiële waarde verdampte.

   Hetgeen naar mijn idee de conclusie rechtvaardigt dat ter wille van een gezond financieel leven financiële waarde geen doel op zichzelf moet zijn maar zich moet voegen naar andere waarden die binnen de maatschappij bestaan. Dus dat geld een middel moet zijn.

 

   Mogen we deze gedachte van het financiële uit doortrekken naar andere gebieden, dan zou de conclusie kunnen luiden: de meest vruchtbare manier van omgaan met het materiële aspect ontstaat wanneer het materiële niet op zichzelf staat maar zich voegt naar andere aspecten. Aspecten zoals ideeën, contacten, gevoelens of energie.  

 

Onder de oppervlakte

 

   In een eerder artikel heb ik naar voren gebracht dat de wereld een buitenkant heeft en een binnenkant. De buitenkant is datgene waardoor het licht weerkaatst wordt. Doordat het licht weerkaatst wordt kun je die buitenkant zien. De buitenkant is een oppervlakte. Kijk je naar die oppervlakte, dan zie je materie. En analyseer je materie, dan kom je uiteindelijk terecht bij de kleinste bouwsteen, het atoom.

   Wat nu de kwantumfysica deed was het atoom als het ware binnengaan en focussen op het subatomaire gebied. Daarmee brak de fysica door de oppervlakte heen. Onder die oppervlakte, in de binnenkant van het atoom, bleek, zoals ik boven heb aangegeven, materie een relatief gegeven. Materie kon voortdurend overgaan in energie en energie in materie. Wat verder bleek was dat materie alleen bestond als je keek met een materiële bril. Ook bleken er in het subatomaire gebied geen gewone ruimte en geen gewone tijd te bestaan, terwijl het materiebegrip aan die gewone ruimte en die gewone tijd gebonden is.

   Breek je door het oppervlak van het lichaam heen, dan kom je tot het lichaam als beleving, waarbij eveneens de materiële werkelijkheid ophoudt te bestaan, alsmede de gewone ruimte en de gewone tijd.

   Is het ook mogelijk door het oppervlak heen te breken van ons aller materiële basis, de aarde?

   Newton vond de zwaartekracht uit, een kracht die alle voorwerpen richting middelpunt van de aarde trekt. Zoals wij zagen was zwaartekracht iets relatiefs, maar zien we de zwaartekracht als een centripetale, middelpuntzoekende kracht, tegenover een centrifugale, middelpuntvliedende, dan lijkt mij dat een werkbaar uitgangspunt. Een uitgangspunt dat getoetst zou kunnen worden door na te gaan wat je kunt beleven wanneer je deze middelpuntzoekende kracht volgt door de aarde heen.

   Fysiek die kracht volgen is een beetje lastig. Je zou een heel diep gat in de aarde moeten graven, maar zelfs dan zou je niet onder het oppervlak van de aarde geraken, want het gat zou een nieuw oppervlak zijn en een nieuwe buitenkant. Door dat oppervlak heen dringen kun je alleen met je verbeelding.

  

De kolk

 

   Mogelijk kan een vorm van materie die wat vluchtiger is, water, een aanduiding geven van wat je mee kunt maken onder het oppervlak van de aarde.  

   Wanneer het aan zijn natuurlijke stroom wordt overgelaten gaat water kolken. Dat doet het niet alleen wanneer het een obstakel ontmoet, zoals een steen in een beekbedding, maar ook wanneer het door de bocht van een van haar meanders gaat, meanders die het water zelf spontaan heeft gevormd. Kolken impliceert een centripetale beweging, een beweging die uitgaat van een cirkelachtige vorm aan de oppervlakte en die leidt naar een punt in de diepte. Voorbij dat punt stroomt het water weer uit en omhoog. Het punt in de diepte is een omslagpunt.

   Naar mate het water dit omslagpunt bereikt wordt het steeds dichter en zwaarder. Dit hangt samen met de overgang van de cirkel naar het punt. In het punt vindt het water zijn grootste dichtheid en zijn grootste zwaarte, en eigenlijk ook zijn grootste materialiteit, want materie en zwaarte gaan hand in hand. En dan, als de dichtheid, de zwaarte en de materialiteit niet verder toe kunnen nemen? Dan verdwijnen ze opeens en gaan over in lichtheid en energie.

   Dat althans was de visie van de Oostenrijkse boswachter Viktor Schauberger, die zich aan het begin van de twintigste eeuw intensief in water verdiepte. Volgens Schauberger gaat die omslag gepaard met de vorming van een vacuüm en met afkoeling. Vervolgens gaat, nog steeds volgens Schauberger, de energie weer snel over in water, water dat nu een energetische impuls gekregen heeft. Door te kolken laadt het water zichzelf dus energetisch op.

   Ik denk dat hier iets in zit. Het is wel vaker zo dat een ontwikkeling die haar extremiteit gevonden heeft omslaat in haar tegendeel. In het periodieke systeem van de elementen zie je bijvoorbeeld dat enkele van de zwaarste elementen een spontaan radioactief verval laten zien, waarbij zware materie dus ook in energie overgaat.

 

   Op een ander vlak wordt dit proces aangeduid in een taoïstisch verhaal. (Het taoïsme is een filosofie van de beweging, afkomstig uit China.)

   Verteld wordt dat twee mannen aan een kolkende rivier staan. Ze bewonderen het natuurgeweld maar zijn zich tegelijkertijd bewust van de gevaren. De kolken trekken meedogenloos naar beneden wat er maar in hun nabijheid komt. Dan zien ze, even stroomopwaarts, een oude man die zich van zijn kleding ontdoet en van plan lijkt het water in te stappen. Ze zwaaien en roepen naar hem, in een poging hem te weerkouden, maar kunnen niet voorkomen dat de man inderdaad de rivier in gaat. Het duurt niet lang of hij wordt door een kolk verzwolgen. Veel meer dan een gebedje prevelen voor zijn zielenrust kunnen de twee mannen niet doen.

   Kort daarna echter zien ze, even stroomafwaarts, dat de man weer uit het water stapt, niet alleen ongedeerd maar zelfs met een ongewone energie in zijn tred. Snel begeven ze zich naar hem toe en stellen hem de vraag die op hun lippen brandt: ‘Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat u dit natuurgeweld heeft doorstaan?’ ‘O,’ antwoordt de man, ‘dat is niet zo moeilijk, hoor. Je laat je gewoon door de stoom meenemen naar de kern van de kolk en ben je daar aangekomen, dan word je vanzelf weer naar buiten en naar boven geslingerd. Ga je je echter verzetten, dan ben je reddeloos verloren.’

   Meegeven is hier het devies, zoals wel vaker binnen het taoïsme.

 

Naar de aardekern

 

   Geef ik mee aan de zwaartekracht als centripetale kracht, dan voel ik hoe mijn voeten op de aarde drukken. In fysieke zin word ik begrensd door het vlak waar mijn voeten de aarde raken, maar met mijn verbeelding kan ik verder, kan ik verder naar beneden, door de aardekorst heen, ja zelfs door de lagen heen die daaronder zijn. Ik hoef mij daarbij niet moeizaam een weg te banen want ik doe dit zonder mijn lichaam en ondervind dus ook geen weerstand aan het materiële aspect van de aarde. Ik kan de aarde zonder veel moeite doordringen.

   Wat ik daarbij beleef is niet aardematerie maar eerder aardeënergie, aardewerking. Die energie beleef ik als verdichtend, ze geeft mij een stevig gevoel, een gevoel van geworteld zijn. Stevig, zwaar en krachtig. Het besef komt in mij op dat ook de plantenwortels deze energie opzoeken, waardoor ze voor de plant een stevige basis vormen. Maar ik kan verder gaan dan de diepste wortels en als ik dat doe word ik als vanzelf door het middelpunt van de aarde aangetrokken. Ben ik daar aangekomen, dan beleef ik een diepe rust, een gevoel dat er niets meer hoeft. Dit lijkt mijn plaats van bestemming te zijn.  

   Hier, in het middelpunt van de aarde, kan ik alles loslaten wat mij aan het leven op het aardoppervlak bindt. Dat wil zeggen: ik heb wel voorstellingen van dingen op het aardeoppervlak, maar ik beleef ze niet zoals toen ik er nog tussen verkeerde. Ik beleef ze meer…. laten we zeggen: in hun essentie. Het harde, materiële, het is hier als het ware gesmolten, vloeibaar gemaakt, en daarbij wordt mij op een of andere manier duidelijker wat de essentie van de dingen is. Wat het principe is dat aan de harde vorm ten grondslag ligt. Ik zie bijvoorbeeld een slakkenhuis voor me, maar wat ik beleef is vooral de spiraalbeweging. Het is de spiraalbeweging die op het oppervlak van de aarde als het ware verhard is tot slakkenhuis. En ja, die spiraalbeweging kan ook tot andere verhardingen leiden, zoals de kolking van water. Of, in een iets afgeleide vorm, tot een wenteltrap. Aangekomen ben ik hier op de plek van de vormende krachten, de patronen die aan de dingen op het aardeoppervlak hun vormen geven.

   Nu zie ik een vogel landen, net voordat hij de aarde raakt. Ik zie niet wat voor vogel het is, ik beleef vooral het landen zelf, het dalen, het naar beneden gaan. De dalende werking, die tegenover de opstijgende staat. Het is het dalen dat die vogel beheerst en wat aan die vogel gestalte geeft. Vervolgens zie ik een galopperend paard met wapperende manen en daarbij beleef ik vooral wind, lucht. Het is alsof het de wind is waar het paard zich in zijn galopperende dynamiek aan overgeeft, het is alsof het de  wind is die gestalte geeft aan dit galopperen. Dan zie ik, als was het een uitleg, de ribbels van het zand op het strand. Het is het heen en terug vloeien van het zeewater wat tot deze vorm heeft geleid en het vloeibare is nog steeds in deze vorm terug te vinden.

   Hebben deze belevingen iets objectiefs? Misschien. Er lijken wel wetmatigheden in door te spelen. Ik kan ze beschrijven en iemand anders kan dat misschien herkennen. Helemaal subjectief lijken ze me dus niet. Maar helemaal objectief zijn ze ook niet, want deze belevingen zijn er afhankelijk van hoe ik mijn aandacht richt. Misschien zou ik iets anders gezien hebben bij dat galopperende paard als mijn aandacht een andere richting had gehad. Ik zou dan misschien meer het samengebalde van de kracht hebben beleefd. En het is natuurlijk ook zo dat iemand anders in mijn positie mogelijk andere belevingen zou hebben. Toch lijken mij deze belevingen niet helemaal willekeurig. Je zou ze kunnen toepassen in concrete situaties op het aardeoppervlak en daarbij zouden ze getoetst kunnen worden, zoals Schauberger dat deed met de waterkolking. Hij schijnt er uiteindelijk een generator mee te hebben gebouwd die meer energie opwekte dan hij verbruikte. Een voorbeeld van nulpuntenergie. Als die ‘geschouwde’ werkingen tot concrete effecten leiden kun je hun werkelijkheidsgehalte toeschrijven, in de trant van de grote schrijver en onderzoeker Goethe, die zei: ‘Nur was fruchtbar ist ist wahr.’ Waar is enkel wat vruchtbaar is.

   Het komt mij voor dat het kennen van hieruit zich niet tegenover de dingen plaatst, zoals ik doe wanneer ik mij identificeer met mijn materiële lichaam en van daar uit andere materiële objecten onderzoek. Dit kennen is meer met de dingen verbonden, beleeft ze als het ware van binnen uit. En tegelijkertijd beleef ik hierbij mijzelf, ik merk dat wat er in mijzelf omgaat invloed heeft op wat ik waarneem. Dit kenproces is pas volledig als ik het combineer met kennis van mijzelf…..

   Ik kan hier niet blijven. Ik moet ook nog eten en geld verdienen, want ik heb ook nog een fysiek lichaam. Maar voordat ik terugga naar het aardeoppervlak beleef ik wel nog snel dat libido vanuit dit standpunt een samenballende kracht is en dat geld een abstractie is, een denkbeeld waar mensen in wensen te geloven en dat alleen daardoor werkzaam is.

 

Materie als fenomeen       

 

   Wat ik beleefde toen ik in de aardekern was komt overeen met wat binnen de fenomenologie ‘fenomenen’ worden genoemd. Jung was iets dergelijks op het spoor toen hij binnen zijn psychologie het begrip ‘archetypen’ introduceerde.

   Vanuit een fenomenologisch perspectief is het niet moeilijk een antwoord te geven op de vraag waarmee dit artikel begon: wat is materie en wat is zwaarte? Zwaarte is vanuit dit perspectief een samentrekkende werking, die met de uitbreidende werking een polariteit vormt. En materie is geen stof maar eveneens een werking, een werking die sterk met de zwaartewerking overeenkomt. Je zou materie een verdichtende werking kunnen noemen, in polariteit met de verijlende.

   Energie zit aan de andere kant van de polariteit. Aan energie is juist het uitbreidende en het verijlende eigen.

    Waarom materie kan overgaan in energie en energie in materie is nu gemakkelijk te verklaren. Omdat materie en energie polariteiten zijn veronderstellen zij elkaar.

    Materie is gestolde energie en energie is vervluchtigde materie.